II De familie
Stamvader Jelle Kingum
De oudst bekende Kingma die we uit de archieven kennen is Jelle Kingum. Hij moet omstreeks 1450 geboren zijn, leefde waarschijnlijk nog in 1514 en was vermoedelijk vóór 1529 overleden. In 1514 betaalt zijn zoon Pieter nog huur aan “zyn faer ende moer” (zijn vader en moeder); in 1529 spreekt Pieter voor zichzelf en zijn broers en zusters, en niet meer voor zijn vader. Een grafsteen van Jelle is niet bekend: de oudste Kingma-zerk in de kerk van Zweins is die van zijn achterkleinzoon Inte Jelles, die in 1590 stierf. Jelle woonde op een sate (boerderij) genaamd Kingum. Zijn familienaam ontleent hij aan de plaats waar de sate stond: Kingum.
Pieter Jelles Kingum, een zoon van stamvader Jelle, is in 1511 gebruiker van de sate. Hij huurt die; de huur gaat naar zijn vader en moeder, naar Gerrolt Herema (zijn vrouw, een kleindochter van Edwer Sjaerda, had in 1510 een rente uit het goed geërfd), naar een vicaris in Franeker, naar de vicaris van Peins en naar de kerk van Zweins. Bovendien moet hij om het andere jaar voor Swob Sjaerda en Herema een hengst voeden.
In 1552 is Pieter gevolmachtigde ten landsdage voor Franekeradeel. Zijn zoon Jelle Pieters volgt hem op als boer op de sate. Deze Jelle heeft vier zonen: Pieter Jelles, Dirk Jelles, Hendrik Jelles en Inte Jelles. Pieter Jelles woont op Kingma, is van 1601 tot 1606 lid van Gedeputeerde Staten van Friesland en overlijdt omstreeks 1610; Dirk Jelles is boer op Sjaerda-state in Dronrijp; Hendrik Jelles is “tot Peyns wonende” (wonend te Peins).
De familie Sjaerda had sterke banden met Kingum. In 1413 was Sicke Sjaerda uit Franeker ‘Ruychter van Kinghum’ (rechter namens Kinghum) in de rechtsomgang van Franekeradeel; de sate was toen waarschijnlijk ten minste voor een deel van hem. Kingum was een ‘rechtvoerende’ sate, die bij toerbeurt een rechter leverde, en Sjaerda was als hoofdeling een van de belangrijkste edelen van Friesland.
Wat was de relatie tussen de genoemde Kingma’s en de schatrijke adellijke familie Sjaerda uit Franeker? In Zorgen voor zekerheid beschrijven dr. Hans Mol c.s. dat Friese hoofdelingen hun bastaarden (en die waren er heel wat) dikwijls heel goed in hun testament bedachten. Deze bastaard-erfgenamen kwamen daarmee nogal eens terecht in het milieu van eigenerfden, de maatschappelijke elite onder de hoofdelingen. Een eigenerfde was een boer op eigen grond. In 1511 en 1514 is Pieter nog huurder; vanaf het midden van de zestiende eeuw staan de Kingma’s als eigenerfde te boek. Zouden zij misschien ook verbasterd blauw bloed in de aderen gehad hebben? Een bron die dat aantoont, is niet gevonden. In 1529 verzette Gerrolt Herema zich, voor zichzelf en voor de Sjaerda’s, juist tegen Pieters recht op de jacht op het land van de sate.