I Kingma State · Hoofdstuk V
Het einde van Kingma State
1825–1864

De laatste bewoners van de state waren jonkheer Ulbo Jetze Heerma van Beijma thoe Kingma, grietman en later burgemeester van Franekeradeel, zijn vrouw Elisabeth Godin en hun zoons. Tot 1856 woonde ook zijn moeder, Agatha Wilhelmina van Voss, er. Zijn vader, jonkheer Julius Matthijs van Beijma thoe Kingma, woonde er van 1825 tot zijn dood in 1847.


Er is een schets bewaard van de tuininrichting van Kingma State, mogelijk uit de periode dat Julius Matthijs van Beijma de state bewoonde. Of het gaat om een schets van de tuin op dat moment of om een plan voor herinrichting, is niet duidelijk. De tuinarchitect Lucas Pieters Roodbaard (1782-1851), die in die jaren veel buitenplaatsen en tuinen in Noord-Nederland aanlegde, werkte in het najaar van 1826 en het voorjaar van 1827 aan de tuin van Kingma State; zijn rekening aan Van Beijma komt op ƒ 603,10 (Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek, 2022, hoofdstuk 7). Of de schets van zijn hand is, weten we niet.

Julius Matthijs was de zoon van Coert Lambertus van Beijma, de bekende patriot die fel het despotisme van de stadhouder bekritiseerde, zoals bij de conflicten met de stadhouder over de grietmansbenoemingen. In 1787 leidde Coert Lambertus een staatsgreep te Franeker en werd hoofd van een tegenregering. Toen het te hulp geroepen Pruisische leger de Republiek binnen viel vluchtten veel patriotten. De meeste van hen kwamen in Saint Omer in Noordwest Frankrijk terecht. Zodoende heeft Julius Matthijs, geboren op 25 september 1781 te Ternaard, een deel van zijn jeugd in Saint Omer doorgebracht. In 1795 keerden de patriotten in het voetspoor van de Fransen terug in de Republiek.
Julius Matthijs had aanvankelijk allerlei functies die betrekking hadden op de financiën van de overheid. Daarnaast was hij vrederechter in het kanton Hindeloopen; zo noemen de stukken hem nog in 1821 en in 1825.
Als vrederechter richt hij een verzoek aan Koning Willem I om vergunning “de toenaam of tytel thoe Kingma” (de bijnaam of titel thoe Kingma) aan zijn naam en aan zijn familiewapen toe te voegen. Dat kon dus blijkbaar niet zomaar. Middels een stuk, gedateerd 2 februari 1821 en ondertekend door de koning, krijgt hij toestemming voor de toevoeging aan zijn naam. Bij een tweede besluit, van 9 maart 1821, mag hij ook het wapen thoe Kingma bij zijn familiewapen voegen. Pas op 10 april 1842 erkent koning Willem II hem als lid van de adelstand, met het predicaat jonkheer.
Op 30 juni 1806 trouwde Julius Matthijs in Peins met Agatha Wilhelmina Sybrandsdochter van Voss. Zij kregen zeven kinderen.
Zijn ongehuwde oom Eduard Marius van Beijma was grietman van Franekeradeel en woonde op Kingma State in Zweins. Toen deze in 1825 overleed werd Julius Matthijs grietman (bestuurder) van Franekeradeel en bewoner van Kingma State. Verder bekleedde hij nog tal van functies, zoals bijvoorbeeld: lid van de Provinciale Staten van Friesland, medeoprichter en lid van het bestuur van het Friesch Genootschap.
In 1832, bij de invoering van het kadaster, was Julius Matthijs niet alleen eigenaar van Kingma State met de bijbehorende grond, zoals tuin, oprijlaan en opvaart (bij elkaar ca. 6 ha). Hij bezat ook veel van de direct rond de state liggende wei- en bouwlanden. Verder was hij eigenaar van de steenfabriek aan de trekvaart en van zestien (van de achttien) huizen van Kingmatille. De twee tolgaardershuizen waren bezit van de stad Franeker. Ook de trekvaart, althans bijna anderhalve hectare ervan, stond op naam van Julius Matthijs, maar waarschijnlijk was hij alleen vruchtgebruiker (voor de belastingen). De trekweg (jaagpad) langs de trekvaart is weer van de stad Franeker.
Daarbij had Julius Matthijs nog negen huizen in Franeker en heel veel land in de wijde omtrek rond Zweins. Kortom, een vermogend man.

Julius Matthijs overleed op 14 september 1847 op 65-jarige leeftijd. Drie van zijn zeven kinderen waren toen al overleden. Zijn jongste zoon, Ulbo Jetze Heerma van Beijma thoe Kingma, volgde hem in februari 1848 op als grietman van Franekeradeel; sinds de gemeentewet van 1851 heette dat ambt burgemeester. Ulbo woonde met zijn moeder op Kingma State, en na zijn huwelijk in 1848 met Elisabeth Godin ook met zijn gezin: hun twee zoons werden er in 1849 en 1862 geboren.
Het testament van Julius Matthijs bepaalde dat zijn vrouw het volledige vruchtgebruik van al zijn bezittingen kreeg. Op 20 april 1848 deed zij afstand van al haar rechten ten gunste van haar vier zoons, te weten Coert Lambertus wonende te Joure, Sijbrand Willem Hendrik Adriaan wonende te Leeuwarden, Frederik Hessel wonende te Heerenveen en Ulbo Jetze Heerma wonende op Kingma State onder Zweins. Daartegenover kan Agatha Wilhelmina van Voss alle meubelen gebruiken die zij nodig acht en zullen de vier zoons haar elk jaarlijks duizend gulden betalen in twee termijnen.
Agatha Wilhelmina huurt op 12 mei 1856 een huis in Leeuwarden gelegen aan de Noordzijde van de Eewal. Ze woont hier tot haar overlijden op 12 augustus 1861 op 77-jarige leeftijd. Op 6 augustus voelt ze kennelijk haar einde al naderen, want ze stuurt dan een koerier te paard naar haar zoon op Kingma State. Dit blijkt uit een rekening hiervoor van ƒ 6,-. Na haar overlijden wordt ze in een lijkkist per boot naar Zweins gebracht en aldaar op 14 augustus begraven.