I Kingma State · Hoofdstuk II
Uitbreiding van het grondbezit
1611–1700

In het archief van Kingma State zijn veel koopbrieven bewaard gebleven van Jelle Pieters Kingum, de kleinzoon van stamvader Jelle, en van Hendrik en Saeckle Kingma. Ze waren zeer actief in het aankopen van grond: Jelle Pieters Kingum komen we tegen in akten van 1571, 1579 en 1580; Hendrik Jelles Kingma koopt land in Peins in 1612, 1620 (3x), 1621, 1622 en 1624; Saeckle Intes is actief in 1630, 1633, 1635, 1637 en 1642.
Met die grondaankopen vergroten ze de omvang en daarmee de status van het buitengoed, dat voortaan een ‘state’ heet. Wanneer die naam opkwam, weten we niet precies; de inventaris van het familiearchief spreekt al bij een koop van 1579 van ‘Kingumastate’.
In 1611 kocht Saeckle Intes Kingma de state van zijn oom Hendrick, samen met een andere oom (zie voor meer familiegeschiedenis en de stamboom onder genealogie).
In de akte van 9 augustus 1611 verklaart Hendrik Jelles Kingma State verkocht te hebben, voor de ene helft aan Saeckle Intes Kingma (ca. 1584-1652) en zijn vrouw Bucke Thomas dr. (1593-1626), die op dat moment in Balk wonen, en voor de andere helft aan Ruurd Saeckles uit Kubaard. Hendrik Jelles en Ruurd Saeckles zijn ooms van Saeckle Intes.
Verkocht werd “Dartichsthalve pondemate Landts” (29½ pondemaat land, bijna 11 hectare) in Kingma Sate, met alles wat erbij hoorde: “de huysinge, schuyre, hoovinge, boomen en plantagie” (het huis, de schuur, de tuinen, de bomen en de beplanting), de vissershuizen met het recht op visserij en zwanenjacht, en de lasten en de opbrengsten die erbij horen. Uitgezonderd waren titel, wapen en grafplaats: “exempt Tytel, waepen ende legerstede, twelck ick vercooper aen mij reservere” (behalve titel, wapen en grafplaats, die ik, de verkoper, voor mij houd). De lasten gingen wel mee: het verkochte bleef “specialyck oock belast” (in het bijzonder ook belast) met zijn deel van een jaarlijkse rente van veertig goudgulden op de hele sate, met dijken en dammen en met “onderholden van Kingmatille” (het onderhoud van Kingmatille), zoals de verkoper die lasten “van mijne olderen aenbeerft” (van zijn ouders geërfd) had. Het onderhoud van de brug ging dus met de state over op de kopers. De koopsom bedroeg 3670 goudgulden, te betalen in drie termijnen. Ruurd Saeckles (overleden 1613) zal als geldschieter zijn opgetreden. In een eerdere koopakte, van november 1610, gaat het om 130 pondemaat land in Kingma State, bijna 48 hectare.
Hendrik Jelles had Saeckle Intes in zijn testament van 1625 tot curator benoemd over zijn zoon en erfgenaam Rienck. Rienck, die in Franeker en Leiden studeerde, overleed in 1635. Zijn erfenis ging naar negen erfgenamen, die hun delen in 1635 en 1636 elk aan Saeckle verkochten. Zo werd Saeckle eigenaar van alle bezittingen van Hendrik Jelles en zijn zoon. Hoogstwaarschijnlijk hoorden daar ook het wapen en de titel van Kingma State bij, die Hendrik Jelles bij de verkoop van 1611 had gehouden.
Ook Ignatius van Kingma, de zoon van Saeckle, vergrootte het grondbezit van Kingma State: tussen 1683 en 1692 kocht hij boerderijen in Zweins, Peins en Herbaijum.