II De familie
De oorsprong van de naam
De familienaam Kingma is ouder dan de familie. Het is de naam van een plek: de sate (boerderij) Kinghum op een terp bij Zweins, in Franekeradeel. Wie daar woonde, werd naar die plek genoemd, en uit die aanduiding groeide in de zestiende eeuw de familienaam Kingma. Wat het eerste deel van Kinghum betekent, is onbekend. Dat de naam van kinkhoorns komt, is onwaarschijnlijk; of de kinkhoorns in het wapen iets met de naam te maken hebben, staat verderop.
Van Kinghum naar Kingma
De plek komt voor het eerst voor in de stukken van de rechtsomgang van Franekeradeel, waarin de rechtspraak bij toerbeurt ging. In 1413 was Sicke Sjaerda "ruychter van Kinghum" (rechter namens Kinghum); die vermelding kennen we alleen uit de druk die Schotanus er in 1658 van maakte (Oudfriesche Oorkonden II, nr. 18). Volgens de regeling van 1433 had Zweins twee rechterszetels, "dij ena toe Kingghum, ende dijn othera toe Sweijnze an dae Buren" (de ene te Kinghum en de andere te Zweins bij de buren) (Oudfriesche Oorkonden II, nr. 17). De oudste spelling in een origineel stuk staat in het testament van Edwer Sjaerda van 27 mei 1510: "dat gued thoe Kinghum" (het goed te Kinghum) (Oudfriesche Oorkonden II, nr. 238).
Wie op Kinghum woonde, heette ernaar. In de aanbreng (de belastingopgave) van 1511 staat "Pieter Jelle zoen toe Kingen" (Pieter Jelleszoon te Kingen), en zijn vader heet daar "Jelle Kinghen"; in hetzelfde register komt ook "Jelle Kinggema" voor, de oudste bekende vorm op -ma (aanbreng 1511 en 1514, uitgave Tjessinga). Dat zijn stamvader Jelle Kingum (geboren rond 1450) en zijn zoon Pieter Jelles Kingum (geboren rond 1480). In 1514 heet Pieter "Peter Kenghem". In 1529 eist "Pieter to Kemgum wonachtig tot Sweyns" de jacht op het land "van der sate geheeten Te Kemgum" (van de sate genaamd Te Kemgum) (zwanenboek van 1529, uitgave De Vries 1959). In de dijkverdeling van 1546 staan "Pieter Kengma" en "Pieter Kingum" in één stuk (Register van den aanbreng III).
De spelling bleef nog lang wisselen. In koopbrieven van 1571 tot 1580 heten Pieters zoons Jelle Pieters Kingum en Claes nog Kingum, maar de sate heet dan al "Kinguma zate" en "Kingma zate", en Jelle zelf in 1580 "Kinguma": 'van Kingum'. In de koopbrief van de state van 1611 staat alleen nog Kingma (De Kinkhoorn 3). Daarna komen ook Kingema en, bij de latere bewoners van de state, Van Kingma voor (zie Ignatius).
Wat betekent Kinghum?
Kinghum eindigt op -um, zoals veel plaatsnamen in Friesland en omringende streken. Die uitgang is verwant aan onder meer hiem (Fries), heem (Nederlands), -heim (Duits) en home en -ham (Engels) en betekent erf, woonplaats. Ook de naamkunde rekent Kinghum tot de heem-namen (Gildemacher, Friese plaatsnamen, 2007). Namen op -um zijn de oudste Friese terpnamen, maar ze ontstonden volgens het onderzoek van Gildemacher niet eerder dan in de vijfde of zesde eeuw (Fryske Akademy, 2009). Kinghum is daarom waarschijnlijk een vroegmiddeleeuwse naam, veel ouder dan de familie die ernaar heet.
Wat het eerste deel, King-, betekent, weet niemand. Gildemacher dacht in 2007 aan "wellicht een persoonsnaam" op de Germaanse stam kuni, 'geslacht, stam'. Van Berkel en Samplonius reconstrueerden in 2018 een *Kuningahem, 'woonplaats van de lieden van Kuna' (etymologiebank, Kingmatille). In zijn verzameling Friese terpnamen van 2008 liet Gildemacher het eerste deel toch open: Kingum is daar "woonplaats van ?" (HisGIS, laag Terpnamen Fryslân). Omdat *kuninga- ook de Germaanse vorm is waaruit koning ontstond (etymologiebank, koning), blijft ook een 'koningsheem' mogelijk.
In de familie zijn drie andere verklaringen verteld. Kinghum zou het heem zijn van Kinge, een oude Friese voornaam (De Kinkhoorn 2; zo ook Herman van Slooten in 1969, De Kinkhoorn 16). De naam zou komen van een kink, een scherpe bocht in de weg bij de sate (De Kinkhoorn 15). Of van een plek in de zeeklei vol kinkhoorns, een 'Kinkum' (De Kinkhoorn 1). Nader onderzoek (2026) maakt alle drie onwaarschijnlijk:
- Kinge. Een middeleeuwse voornaam Kinge is nergens gevonden. De naam bestaat wel, maar als koosnaam uit de kindertaal voor Rinse of Rinske (Nederlandse Voornamenbank, Kinge); Winkler noemde hem in 1898 "hedendaags als ongeschreven vleivorm van Rinse in gebruik" (Winkler, Friesche naamlijst, 1898). En in 1511 heet Jelle niet naar een vader Kinge, maar naar de plek: "Jelle Kinghen".
- Kink. Het woord kink (kronkel) is pas in 1636 overgeleverd; daarvoor komt het alleen voor in kinkhoren (1488) (etymologiebank, kink). Een naam uit de vroege middeleeuwen kan moeilijk rusten op een woord dat pas eeuwen later opduikt. Ook de provinciaal archeoloog trok deze verklaring in twijfel, omdat een kenmerk van de omgeving zelden een Friese naam uit de middeleeuwen verklaart (De Kinkhoorn 15).
- Kinkhoorns in de klei. Hier speelt hetzelfde woordprobleem. Bovendien hebben alle oude vormen -ngh- of -ngg- (Kinghum, Kingghum, Kinggema), nooit de -nk- van een 'Kinkum'. Kees Kingma, die het idee in het eerste nummer van De Kinkhoorn opperde, noemde het zelf "pure speculatie" (De Kinkhoorn 1).
Hoe oud de bewoning op de plek is, weten we niet precies. De kwelderrug Salverd-Zweins-Schingen werd bewoonbaar rond het midden van de tweede eeuw voor Christus (De Vrije Fries 79, 1999, p. 31), maar dat geldt voor de hele rij terpen, niet voor Kinghum zelf. De terp direct ten noorden van de state is in de negentiende eeuw afgegraven voor de vruchtbare terpaarde. Bij boringen op die plek in 2009 kwam zwart, grof aardewerk boven dat sterk lijkt op aardewerk uit de late ijzertijd, maar volgens het rapport ook Hessens-Schortens-aardewerk uit de late Merovingische of vroege Karolingische tijd kan zijn (Becker & Van de Graaf, 2009). Wanneer de plek de naam Kinghum kreeg, is daaruit niet af te leiden.
De naam en de kinkhoorns
Het familiewapen toont twee zwarte kinkhoorns in zilver, en de nieuwsbrief De Kinkhoorn is ernaar genoemd (De Kinkhoorn 1). Hebben die schelpen iets met de naam te maken?
Dat Kinghum van kinkhoorn komt, is onwaarschijnlijk, om de redenen hierboven: het woord kink is te jong, en de oude vormen hebben -ngh-, geen -nk-.
Andersom kan wel. De naam is waarschijnlijk veel ouder dan het wapen: Kinghum bestond in 1413 al als plaatsnaam, waarschijnlijk al eeuwen, terwijl de eerste mensen die naar de plek heten pas rond 1500 verschijnen. De familie kan de kinkhoorns dus gekozen hebben om haar naam uit te beelden. Dat staat al in De Kinkhoorn 16, bij de naamsverklaring van Herman van Slooten: de kinkhoorn als wapenfiguur kan met de naam samenhangen, "die ouder zal zijn dan het wapen" (De Kinkhoorn 16).
De beschrijving bij de erkenning van Julius Matthijs van Beijma thoe Kingma in de adel in 1842 spreekt wel van twee "Tritonshoorens van sabel" (zwarte tritonshoorns), en zo zijn ze daar ook getekend; ook de wapenlijst bij de genealogie Buttinga van 1930 heeft "twee zwarte tritonshoornen" (Delpher), terwijl Rietstap in 1890 "zwarte kinkhoorntjes" schrijft (Rietstap, De wapens van den tegenwoordigen en den vroegeren Nederlandschen adel). Kees Kingma zag daarin een verwisseling (De Kinkhoorn 5). Maar in de taal van de zeventiende eeuw waren kinkhoorn en tritonshoorn hetzelfde: een kinkhoorn was een grote gedraaide zeeschelp die op een hoorn leek, en vooral de hoorn waarop de zeegod Triton blaast. Vondel dichtte: "Op zijnen kinckhoorn maeckt den Triton heesch geluyt" (op zijn kinkhoorn maakt Triton een hees geluid) (Vondel, Vorstelijcke warande der dieren), en de natuuronderzoeker Rumphius, die in 1702 op Ambon stierf, beschreef de tritonshoorn (Charonia tritonis) en schreef erbij: "onze Duitsche noemen dezelve Kinkhoorens" (onze landgenoten noemen ze kinkhoorns) (Rumphius, D'Amboinsche rariteitkamer, 1705). De wulk heette toen alleen bij zeelieden ook kinkhoorn (Le Francq van Berkhey, 1769); dat het woord nu vooral de wulk van de Noordzee betekent, is jonger. De tritonshoorns van 1842 zijn dus waarschijnlijk dezelfde kinkhoorns onder hun geleerde naam, en de woordspeling op de naam blijft mogelijk. Zulke sprekende wapens zijn in de heraldiek gewoon: gedraaide schelpen komen in wapens weinig voor, en waar ze staan, spelen ze vaak op de naam, zoals de wulken van de Engelse familie Shelley (Mistholme, heraldisch woordenboek). De heraldicus J.C. Terluin las de figuren in 2004 als "hulken": een slakkenhuis, "de hulk als onderkomen", mogelijk een verwijzing naar de state "als trots bezit van de familie" (De Kinkhoorn 11).
Geen van de bronnen die we kennen, zegt waarom de familie de schelpen koos. De naam komt dus waarschijnlijk niet van de kinkhoorn; dat de kinkhoorn in het wapen van de naam komt, is mogelijk, maar niet aangetoond.
Je voorouders terugvinden
Veel mensen zijn nieuwsgierig naar hun “roots”. De zoektocht begint doorgaans bij ouders en grootouders. Het terugzoeken van je voorgeslacht tot aan de Franse tijd, zo rond 1810, is niet zo moeilijk. Daarvoor kun je de registers van de burgerlijke stand en de bevolkingsregisters gebruiken, die grotendeels online staan (AlleFriezen, Open Archieven) en bij Tresoar in Leeuwarden. Aardig is ook het register van naamsaanneming van 1811/1812. Toen moest iedereen een achternaam kiezen. Veel mensen hadden die toen nog niet. In bepaalde families was, soms al heel lang, wel een geslachtsnaam in gebruik. Natuurlijk werd die toen geregistreerd. De naam Kingma staat in meer dan twintig van die registers, verspreid over Friesland.
Moeilijker wordt het als je verder terug gaat. Dan kom je terecht bij de kerkelijke doop, trouw- en begraafboeken. In de ene kerkelijke gemeente gaan die verder terug dan in de andere. De Fryske Akademy heeft een gids voor genealogisch onderzoek uitgegeven. Die wijst bij stamboomonderzoek heel goed de weg.
Wie stamt van Jelle af?
Naast afstammelingen van stamvader Jelle in mannelijke lijn, zijn er heel wat Kingma’s die in vrouwelijke lijn van de eerste Kingma’s afstammen. Vóór de Franse tijd was het niet ongebruikelijk dat iemand die geen familienaam had, de al wel gehanteerde geslachtsnaam van zijn moeder of grootmoeder aannam. Het aannemen van de familienaam uit de vrouwelijke lijn is bijvoorbeeld het geval geweest met Hylke Jans Kingma uit Makkum, die in 1771 met twee van zijn broers de naam van zijn grootmoeder Trijntje (van) Kingma aannam, en zijn nakomelingen (aangeduid als de ‘Makkumer tak’, waaruit Kingma’s Bank voortkwam).
Deze laatste en andere familietakken hebben zich in de loop van de eeuwen om útens verspreid over Nederland en de wereld. We duiden deze groepen meer in het algemeen wel aan als Friezen in diaspora.
De lezing op de Kingmadag van 2000 hield het erop dat bijna alle Kingma’s, via de mannelijke of vrouwelijke lijn, nakomelingen zijn van stamvader Jelle uit Zweins (De Kinkhoorn 2). “Bijna”, want een uitzondering vormt de familie van de beurtschippers Kingma van Birdaard. Antje Aedes was getrouwd met Jan Johannes Kingma, die uit “onze” familie stamde. Haar neef, Gosse Jans, die dus niet tot de familie Kingma behoorde, nam in 1812 ook de naam Kingma aan (register van naamsaanneming Blija, 1812). Zo ontstond er een nieuwe familie Kingma, niet verwant aan ‘stamvader’ Jelle, die vooral in Birdaard, maar ook in Dokkum en omgeving heel wat nakomelingen heeft.
Het onderzoek van 2026 laat zien dat ‘bijna’ te ruim is. De registers van naamsaanneming van 1811 en 1812 bevatten 62 inschrijvingen van de naam Kingma (of Kingema), in 25 registers. Een deel van hen droeg de naam al; anderen namen hem toen pas aan. De stamboom kent inmiddels een reeks families die de naam toen zelf kozen, onder meer in Rinsumageest, Gorredijk, Nijland, Tjerkwerd en Franeker. Van hun stamvaders is geen band met Jelle bekend. Zie Naamsaanneming 1811.