I Kingma State
In het kort
Wie waren mijn voorouders? Van wie stammen ze af? Wie waren die eerste Kingma’s? Waar woonden ze? Wat deden ze? Waar komt de naam Kingma vandaan? Hoe ontstond Kingma State?
Eigenlijk raakt iedereen op enig moment in zijn of haar leven wel geïnteresseerd in z’n oorsprong, in de ‘roots’ van zijn of haar familie.
Wat weten we van de oorsprong van de familie Kingma?
Speurwerk naar onze voorouders levert een zekere Jelle op, de vroegste Kingma die we nu kennen. Hij werd rond 1450 geboren in het deel van Friesland dat toen Westergo heette. De hoofdplaats van die regio was Franeker. Jelle woonde op een boerderij, een sate op z’n Fries, die bekend stond als Kinghum, drie kilometer oostelijk van Franeker, aan de weg naar Leeuwarden. De sate stond op een oude terp, een van de vier terpen met een naam (Edum, Sjaarda, Salverd en Kinghum) op de kwelderwal langs de Salverderweg. Bij booronderzoek in 2009 kwam op de plek van de in de 19e eeuw afgegraven terp aardewerk tevoorschijn uit de late IJzertijd of uit de 7e tot 9e eeuw; hoe oud de bewoning van Kinghum zelf is, weten we niet (zie Het begin van de state). Of zijn ouders er al woonden, weten we evenmin. Vlakbij kwam in 1507-1508 de trekvaart die beide steden verbond.
Eigenaar van de hele sate was Jelle niet. In 1511 gebruikte zijn zoon Pieter de sate en betaalde hij huur aan zijn vader en moeder, aan een priester in Franeker en aan Gerrolt van Herema, wiens vrouw een deel van de sate had geërfd. Pas rond het midden van de zestiende eeuw staan de Kingums te boek als eigenerfden, boeren op eigen grond: in 1552 vertegenwoordigde Pieter als eigenerfde Franekeradeel in de landdag, de vergadering van de Staten van Friesland.
Wie op Kinghum woonde, werd naar die plek genoemd. In de belastingregisters van 1511 en 1514 heten Jelle en zijn zoon Pieter onder meer ‘Kenghum’ en ‘Kinggema’; later komen Kingum en Kinguma voor, en in de koopbrief van de state van 1611 staat Kingma. Wat de naam Kinghum zelf betekent, weten we niet. De uitgang -um betekent woonplaats; de oude familieverklaring, een huis bij een kink (een scherpe bocht) in de weg, is volgens het naamonderzoek van 2026 onwaarschijnlijk (zie De oorsprong van de naam).
Achtereenvolgens woonden er zes generaties Kingma op de sate. Aanvankelijk waren het pachtboeren. Door hard werken, handige huwelijken en flinke grondaankopen stegen de Kingma’s op de maatschappelijke ladder tot inwoners met aanzien in de provincie Friesland. De sate werd een voorname ‘state’, Kingma State, met stemrecht in het provinciale bestuur.
De laatste Kingma die de state bewoonde was Ignatius van Kingma (1621-1700). Hij doorliep een militaire loopbaan en bereikte de rang van kolonel met een eigen regiment ruiters. Zijn regiment hoorde bij het Staatse leger, het leger van de Republiek, en vocht in het Rampjaar 1672. Op zijn grafzerk heet hij ook brigadier, de titel van een kolonel die in oorlogstijd meerdere regimenten aanvoerde. Na hem erfde zijn neef Zacheus van Ghemmenich de state, een zoon van zijn zuster; diens dochter Petronella woonde er in 1753 nog. Daarna bleef Kingma State tot 1864 bij de familie Van Beijma (thoe Kingma).
De familie Kingma voerde een eigen familiewapen.
Oorspronkelijk was het wapenschild van de Kingma’s verdeeld in twee vlakken: in het bovenste vlak twee zwarte kinkhoorns in zilver en in het onderste vlak een zilveren pijl in een blauw vlak. Het helmteken is een uitkomende zwanenhals. Later kwam er een derde vlak bij met de Friese halve adelaar, die veel Friese families in hun wapen voerden. Waar die adelaar vandaan komt, verklaren de bronnen verschillend; zie Het familiewapen.
Of de kinkhoorns in het wapen met de naam te maken hebben, weten we niet; misschien koos de familie ze om haar naam uit te beelden. Een kinkhoorn is een gedraaide, spiraalvormige schelp.