I Kingma State · Hoofdstuk III
De omgeving
17e–19e eeuw

Er waren meer staten in Zweins. De kaart van Schotanus uit 1698 noemt ook Groot Heerma, Rinnerda en Van der Waeyen, en de kaart van Eekhoff uit het midden van de negentiende eeuw daarnaast Heerma State. Alleen Kinghum wordt in de rechtsomgang van 1406-1438 bij naam als rechtvoerende state van Zweins genoemd. Van de andere staten is in het huidige landschap weinig tot niets terug te vinden; op de plaats van Heerma State staat nu een boerderij. Het grote aantal staten betekent wel dat er ter plaatse destijds een relatief grote welvaart was.

De ligging bij de trekvaart (nu Van Harinxmakanaal) en de weg van Harlingen via Franeker naar Leeuwarden zal hierbij van betekenis geweest zijn. Waar deze weg over de trekvaart ging was een ophaalbrug (tille). In de volksmond heette die Keimpetille. Al in 1785 gebruikte een verhandeling over het verbasteren van eigennamen haar als voorbeeld: “kingma Til, ’t welk men altijd keimpe til, of kimpe til hoort uitspreeken” (Kingma Til, dat men altijd als keimpe til of kimpe til hoort uitspreken) (Taal-, dicht- en letterkundig magazijn (1785), blz. 136).

Ter plekke waren ook een tol, een kroeg en een steenfabriek (tichelwerk). Door al deze bedrijvigheid was er een nederzetting ontstaan die de naam Kingmatille kreeg en nog steeds bestaat, ondanks het verdwijnen van brug, tol, kroeg en steenfabriek.
Het onderhoud van de brug lag bij de eigenaar van Kingma State, en dat leverde klachten op. Op 16 juni 1618 droegen Gedeputeerde Staten van Friesland Saeckle Intes Kingma op de brug te herstellen tot een breedte van 14½ voet en op de oude hoogte, en in juli diende de stad Leeuwarden een klacht van 46 artikelen in over zijn onderhoud van Kingmatille (Inventaris van het oud-archief der stad Leeuwarden (1893), blz. 233-234).
Ook over de kroeg had de eigenaar van de state het voor het zeggen. In 1647 vroeg Saeckle de grietman van Franekeradeel of hij bij Kingmatille aan het jaagpad een huis mocht laten bouwen voor iemand die “aen Passanten ende wech-veerdige personen een minglen bier uijt-tappe ende vercope” (aan voorbijgangers en reizigers een mengel bier tapt en verkoopt). Hij kreeg dat recht op 11 maart 1647, “met verbott aen allen anderen” (met een verbod voor alle anderen). Jan Bauckes, die in het tolhuis woonde en daar tot dan toe tapte, beloofde in december dat hij dat voortaan alleen deed met toestemming van “Heere Kingma” en zou stoppen zodra die het hem verbood (Tresoar, familiearchief Van Beyma thoe Kingma, inv. 7, transcriptie van Martha Kist voor Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek (2022); inventaris van het familiearchief (1907), blz. 301).
In 1650 gebeurde er bij de tille veel tegelijk. In augustus vroeg Saeckle het gerecht van Hennaarderadeel, de grietenij aan de zuidkant van de vaart, of hij in de rijweg even voorbij Kingmatille op eigen kosten een tille mocht leggen. Toen een mederechter en de secretaris op 3 september kwamen kijken, wees hij aan wat hij van plan was: hij wilde zijn kleisloot dwars door de dijk doortrekken naar een stuk land van het weeshuis van Franeker, om de klei die hij had gekocht “bequamelijck aen Kingma Tichelwerck te voeren” (gemakkelijk naar het tichelwerk van Kingma te brengen). Over het gat in de dijk zou een tille komen “op de Hoogte van een grote Cleijpraem” (zo hoog dat een grote kleipraam eronder door kon). Op 11 september gaf het gerecht toestemming (Tresoar, familiearchief Van Beyma thoe Kingma, inv. 8, transcriptie van Martha Kist voor Ruiter voor de Republiek).
Een maand later, op 17 oktober 1650, sloten Leeuwarden en Harlingen in het tolhuis een “akte van sociëteit” over het beheer en onderhoud van de trekweg (het jaagpad): de twee steden deelden de opbrengst en de kosten, en Franeker bleef erbuiten. Het perkament, getekend door twaalf gecommitteerden van beide steden, eindigt met “Actum op den Tolhuijs aen Kingmatille den 17en Octob. 1650” (gedaan in het tolhuis bij Kingmatille, 17 oktober 1650) (Inventaris van het oud-archief der stad Leeuwarden (1893), nr. 345).
Ook in Friese verhalen was Keimpetille een vast punt aan de vaart. P. Janzen vertelde in 1922 over het bezoek van koning Willem I aan Franeker in mei 1818, voor het planetarium van Eisinga. Zodra het statenjacht met de koning bij Keimpetille aankwam, zou daar een klein kanon een saluutschot lossen, Saunhuzen zou antwoorden, en bij de kruittoren “de Buiskool” aan de Leeuwarder kant van Franeker stonden drie kanonnen klaar. Toen een jongen uit het torendak riep “Jonges, de koaning komt!” (jongens, de koning komt!), viel er een schot op Keimpetille, meteen daarna een op Saunhuzen, en toen bulderden de drie achtponders, vlak achter de rug van de wat hardhorende professor Wassenbergh. Die draaide zich om en vroeg de sergeant: “Seiden jou wat teugen mij?” (zei u iets tegen mij?) (Sljucht en rjucht (1922), blz. 297-298).
In 1836 was de buurt bij de brug het belangrijkste deel van Zweins. H. W. Steenstra schreef: “Bij de kerk staan weinige huizen, doch de aanzienlijke streek bij Kingmatille maakt het voornaamste gedeelte des dorps uit, waarbij ook een steenfabriek, toebehoorende aan welgemelden Heere Grietman” (bij de kerk staan maar weinig huizen, maar de flinke rij huizen bij Kingmatille is het belangrijkste deel van het dorp, met ook een steenfabriek van de genoemde heer grietman). Die grietman was Julius Matthijs van Beijma thoe Kingma, de bewoner van Kingma State (H. W. Steenstra, Oudheidkundige aanteekeningen van de dorpen en kloosters der grietenij Franekeradeel (1836), blz. 55-56).

In 1859 was jonkheer Ulbo Jetze Heerma van Beijma thoe Kingma, die op Kingma State woonde, eigenaar van de brug. Na een minnelijke schikking kocht de provincie Friesland haar van hem voor ruim 8405 gulden; het contract werd op 25 april 1859 getekend. Vanaf 12 mei 1860 inde een brugwachter-tolgaarder de tol voor de provincie, voor 200 gulden per jaar (Verslag van den toestand der provincie Friesland over 1859). Het was druk op de vaart: in 1871 passeerden 3907 schepen de Kingmatille, in 1872 6061 (idem over 1872).