I Kingma State · Hoofdstuk I
Het begin van de state
ca. 1450–1600

Introductie
Drie kilometer ten oosten van Franeker ligt het dorp Zweins. Zuidwestelijk van Zweins ligt een ruim 2 hectare groot, bebost terrein, topografisch aangeduid als ’t Hofke. Vanaf de middeleeuwen tot de 19e eeuw was hier het buitengoed Kingma State gelegen. Aanvankelijk was het een boerderij op een terp van enige meters hoogte met daar omheen liggende agrarische gronden.
De ligging van Kingma State, zuidwestelijk van Zweins, is goed te zien op de kadastrale kaart van 1832 in HisGIS (Fryske Akademy en KNAW Humanities Cluster): het grote vlak van de tuin, het bos en de oprijlaan en opvaart die in zuidoostelijke richting naast de Franeker trekvaart lopen.
Het gebied waarin deze state lag was ruim tweeduizend jaar geleden een groot waddengebied, een delta van de rivier de Oer-Boorne. Dit gebied bestond uit geulen waardoor het zeewater bij hoogwater binnenstroomde en bij laagtij weer naar buiten bewoog. Tussen de geulen ontstonden bij laagtij droogvallende kwelderwallen. In tijden van verlaagde zeespiegels waren deze kwelderwallen geschikt voor eenvoudige landbouw. Hier ontstonden na verloop van tijd menselijke nederzettingen, primitieve boerderijen. Na enige tijd ging de zeespiegel stijgen en moesten de mensen die hier woonden hun woonplek verhogen om droge voeten te houden. Dat verhogen deden ze met grond, maar ook met de mest van hun dieren. Zo ontstonden er op de kwelderwallen reeksen hoger gelegen, vruchtbare terpen. De kwelderwallen in dit gebied lopen meestal oost-west. Kinghum was een van de terpen op zo’n kwelderwal. Noordelijk van Kingma State liggen andere terpenrijen o.a. de terpenrij Franeker–Schalsum–Peins–Slappeterp. Om overstromingen vanuit zee te beperken begon men eenvoudige dijkjes aan te leggen rond de terpen. In de loop van de eeuwen reeg men deze dijkjes aaneen en ontstonden er aaneengesloten polders. Bij Peins is het oudste zeedijkje van Nederland opgegraven. Het bestond uit opgezette graszoden.

De Salverderweg, die eeuwenlang Franeker met Leeuwarden verbond, volgt min of meer de kwelderwal waarop Kingma State is gelegen. Op die kwelderwal vinden we een viertal terpen met een naam: Edum, Sjaarda, Salverd en Kinghum. Bij booronderzoek in juni 2009 op de locatie van de voormalige Kingma State is op de plek van de in de 19e eeuw afgegraven terp veel aardewerk gevonden. Een deel ervan lijkt sterk op aardewerk uit de late IJzertijd; volgens het rapport kan het ook uit de late Merovingische of vroege Karolingische tijd komen (7e tot 9e eeuw). Ook is er op verschillende plekken houtskool gevonden, wat op oude bewoning kan wijzen. Hoe oud de bewoning van Kinghum zelf is, weten we niet.


In een eerder uitgevoerd verkennend archeologisch onderzoek (2003) bleken de contouren van de state en gracht op basis van vondsten traceerbaar. Er werden toen geen duidelijke fundamenten gevonden van de voormalige state, wel puinresten (rode en wat oranje en gele baksteenresten) en wat aardewerkfragmenten van na 1500.

Rond 1400 waren de boerderijen op deze kwelderwal in het bezit van de familie Syaerda (Sjaarda). In de “Ordinatie van de rechtsomgang in Franekeradeel” en ook in het bijbehorende register, dat loopt van 1406 tot 1438 komen we Kinghum tegen als de (enige) rechtvoerende state van Zweins. Zo’n state had het recht om eenmaal in de zoveel jaar een van de acht rechters van Franekeradeel te benoemen. Een van die acht werd tot grietman (burgemeester) benoemd.
Zo was Sikke Syaerda in 1413 rechter van Kinghum, in 1409 rechter van Syaerda en in 1408 rechter van Salverd. De volgorde was zo dat Kinghum eens in de zeven jaar een rechter kon benoemen.
In 1413 was Sicke Syaerda dus waarschijnlijk (mede-)eigenaar van Kinghum, en waarschijnlijk ook van Salverd en Syaerda. De familie Syaerda was een machtig geslacht in Westergo vanaf de 13e tot en met de 15e eeuw. In 1449 lieten de Syaerda’s een kasteel bouwen binnen de grachten van Franeker.
Wanneer de state werd gebouwd is niet precies bekend, maar in 1413 was Kinghum al een ‘rechtvoerende’ sate (boerderij): een sate die bij toerbeurt een rechter leverde. De sate was toen waarschijnlijk (deels) eigendom van Sicka Syaerda uit Franeker, destijds een van de belangrijkste edelen van Friesland. Hij oefende de rechtspraak uit voor Kinghum.
De oudst bekende bewoner van de sate was Jelle Kinghum, hij moet omstreeks 1450 geboren zijn.
Pieter, de oudste zoon van Jelle, wordt in 1511 genoemd als gebruiker van de sate. Volgens het Register van den Aanbreng, een soort belastingregister, betaalde hij dat jaar huur aan zijn vader en moeder (16 florijnen), aan de priester Johannes Petri te Franeker voor een kerkelijke prebende (14 florijnen), aan Gerrolt van Herema (9 florijnen) en kleine bedragen aan de vicaris van Peins en de kerk van Zweins. Of het aandeel van Jelle en zijn vrouw eigendom was of een rente, lezen de historici verschillend. Het deel van Herema kwam van de als adellijk omschreven vrouwe Edwer Syaerda: zij had in 1510 haar aandeel in de sate Kingum vermaakt aan haar kleindochter Lutke, getrouwd met Gerrolt van Herema. Deze Herema woonde mogelijk op de state Heerma (of Herema) nabij Kingum in Zweins.
Deze Pieter of zijn zoon Jelle heeft het eigendom van de sate verworven. Daarna veranderde de familienaam van Kingum via Kinguma in Kingma.

