II De familie
Kolonel Ignatius van Kingma
In de Reginakerk in Zweins liggen drie grafzerken van Kingma’s: van Inte Jelles Kingma, een achterkleinzoon van stamvader Jelle Kingum, van zijn zoon Saeckle en van diens zoon Ignatius. Ignatius van Kingma werd in 1621 geboren als Inte Saeckles, en in akten en legerstukken heet hij nog lang Inte van Kingma (De Kinkhoorn 11). Net als zijn vader zette hij een deftig ‘van’ voor zijn familienaam. Hij bracht het tot kolonel van een regiment ruiters in het Staatse leger, het leger van de Republiek, en voerde later de ererang van brigadier. Hij was de laatste Kingma die op Kingma State woonde.

Student in Franeker en Utrecht
Ignatius werd op 20 juli 1640 als student in Franeker ingeschreven en studeerde daarna in Utrecht (De Kinkhoorn 18; Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek (2022), hoofdstuk 3). Daar kreeg hij een relatie met Margaretha (Grietje) Uitdenbongaert, die op 10 april 1645 in Utrecht een zoon kreeg, Johan. Er volgde een proces. Eind 1645 daagde Ignatius haar in Utrecht wegens laster; zij bracht de zaak daarna voor het Hof van Friesland en eiste dat hij met haar trouwde, of anders 6.000 carolusgulden, met de kraamkosten en het onderhoud van het kind. Op 13 november 1647 kocht zijn vader Saeckle de zaak af met een schikking van 2.315 carolusgulden. Ignatius bekrachtigde die pas op 15 september 1649, nadat het Hof hem daartoe had veroordeeld (processtukken in het familiearchief Van Beyma thoe Kingma en in het procesdossier van 1701-1707 bij het Hof van Friesland, Tresoar; transcripties van Martha Kist voor Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek (2022), hoofdstuk 4). Waarom er geen huwelijk kwam, zeggen de stukken uit die jaren niet. Volgens Johan kon zijn vader in Friesland niet tegen de wil van zijn eigen vader trouwen.
Ignatius erkende Johan niet als wettig kind, maar de jongen droeg al vroeg zijn naam: in april 1654 stelde het Leeuwarder gerecht op verzoek van zijn moeder een curator aan over haar zoontje ‘Johannes Kingma, bij de Ritm[eeste]r Ignatius Kingma geprocreeert’ (verwekt door ritmeester Ignatius Kingma) (autorisatie van 3 april 1654). Zijn studie maakte Ignatius niet af; hij koos voor het leger.
Van kornet tot ritmeester

Op 13 februari 1647 benoemden Gedeputeerde Staten van Friesland hem tot kornet, vaandeldrager bij de cavalerie, in de compagnie ruiters van ritmeester Jacob Spaen. Zijn zwager Jacob van Gemmenich, de man van zijn zuster Catharina, had daarvoor gepleit bij stadhouder Willem Frederik, in wiens dagboeken ‘Kingema’ daarna geregeld aan tafel zit (akte van 13 februari 1647 in het familiearchief, Tresoar; dagboeken van Willem Frederik; Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek (2022), hoofdstuk 5).
In april 1652 werd hij ritmeester, bevelhebber van een compagnie harquebusiers, ruiters met een kort vuurroer: Gedeputeerde Staten gaven hem op aanbeveling van de stadhouder de compagnie te paard van kolonel Spaen. Vanuit Kleef, waar de stadhouder net was getrouwd, wenste hij Ignatius in een brief van 18 mei 1652 ‘veel gelucks heil ende segen’ (veel geluk, heil en zegen) en vroeg hem Spaen snel te betalen wat hij zijn voorganger volgens contract nog schuldig was (brief van de stadhouder; De Kinkhoorn 10; Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek (2022), hoofdstuk 5).

In de Eerste Engelse Oorlog bewaakte zijn compagnie de kust. In juni 1652 stuurden de Staten-Generaal haar van Wesel naar Brouwershaven in Zeeland, in september naar Leeuwarden, en in de zomer van 1653 lag ze op Texel (resolutie van juni 1652). Vandaar schreef Ignatius de stadhouder op 27 juni 1653 dat hij een marsbevel van de Staten van Holland had gekregen, maar dat zijn commandant, de heer van Noordwijk, hem liet blijven omdat de Engelsen in de buurt waren. Hij had zich daarbij neergelegd ‘onder behoorlijke protestatie’ (onder formeel protest), in bijzijn van ‘mijn heer Slijp’ en andere officieren. In september ging de compagnie terug naar Leeuwarden (brief van 27 juni 1653; resolutie van 6 september 1653; De Kinkhoorn 10; Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek (2022), hoofdstuk 5).
Twee huwelijken
Op 7 december 1651 trouwde Ignatius, toen nog kornet, in Leeuwarden met Jaeycke van Vierssen, dochter van de muntmeester van Friesland (huwelijk van 7 december 1651). Twee maanden later, op 12 februari 1652, stierf zijn vader, en werd Ignatius eigenaar en bewoner van Kingma State (De Kinkhoorn 4). Jaeycke stierf op 28 juli 1652, 33 weken na de bruiloft, terwijl haar man volgens haar grafdicht ‘voor ’t landt in Brouwershaven waeckt’ (voor het land in Brouwershaven de wacht hield). Dat gedicht van dominee E.L. Hesenaer staat op haar gedenkteken in de kerk van Zweins, met de regel ‘Wort door een hete koorts met ’s lyfsvrucht weggeruckt’ (wordt door een hete koorts samen met de vrucht van haar lichaam weggerukt): zij stierf met haar kind, vermoedelijk aan kraamvrouwenkoorts (De Kinkhoorn 4; De Kinkhoorn 7).
In oktober 1654 ging hij in Leeuwarden in ondertrouw met Ida (Ydt) van Meynsma, een katholieke weduwe (ondertrouw van 7 oktober 1654). Hij probeerde haar hervormd te maken en beriep daarvoor in 1662 de voormalige franciscaan Petrus Mestrum als predikant van Peins en Zweins. Het bekeren lukte slecht, vooral als Ida’s broer Gabbe van Meinsma erbij was, die de predikant telkens met zijn argumenten het zwijgen oplegde (De Kinkhoorn 7; Genealogysk Jierboek 2010, p. 304). In Leeuwarden werden een dochter Intia (1660) en een zoon Inte (1662) gedoopt; volgens een oud genealogisch handschrift ‘hebben wel kinden gehadt doch altoos jongh gesturven’ (hebben wel kinderen gehad, maar die stierven steeds jong) (idem). Ida stierf in de nacht van 29 op 30 november 1671 in Zweins en werd in Beers bij haar familie bijgezet (Genealogysk Jierboek 1970, p. 33).
Majoor
Anders dan zijn familieleven verliep zijn loopbaan grotendeels voorspoedig. Van 1654 tot 1663 lag zijn compagnie in garnizoen in Wesel, een vestingstad aan de Rijn (resolutie van augustus 1654). Vandaar vroeg hij de stadhouder in juni 1661 verlof om ‘voor een tijtlangh wegens sijn particuliere affairen’ (een tijdlang voor zijn eigen zaken) naar Friesland te gaan (verzoek van 22 juni 1661; De Kinkhoorn 10). Toen de majoor van het regiment te paard van de heer van Sommelsdijck, graaf Van Stirum, in 1661 stierf, vroeg Ignatius als oudste ritmeester om die plaats, zonder traktement. De Staten van Friesland steunden hem, en op 3 augustus 1662 kreeg hij zijn commissie als sergeant-majoor, zoals de majoor toen heette (commissie van 3 augustus 1662; De Kinkhoorn 10; Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek (2022), hoofdstuk 5). In augustus 1663 ging zijn compagnie naar de stad Groningen (resolutie van 18 augustus 1663). Volgens Joost Kingma nam hij in 1664 deel aan de herovering van de Dijlerschans, een schans aan de grens die Bernard van Galen, de bisschop van Münster, eind 1663 had ingenomen (Ruiter voor de Republiek (2022), hoofdstuk 5).

In december 1664 liep hij mee in de begrafenisstoet van stadhouder Willem Frederik in Leeuwarden, als enige in zijn deel van de stoet zonder de titel jonker (prentreeks in het Rijksmuseum; Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek (2022), hoofdstuk 5). Op de terugweg, op 6 januari 1665, bezweek in Franeker de Tolbrug onder het gezelschap van prins Johan Maurits van Nassau-Siegen. De prins lag tot zijn hals in het water, ‘onder de voeten van 6 woedende Paerden’ (onder de hoeven van zes woedende paarden), met onder anderen ‘Mayor Kingma’, waarschijnlijk Ignatius, maar ‘alle schaedeloos gebleven’ (allen ongedeerd gebleven), schreef hij zijn zuster (De Kinkhoorn 1).
Ignatius was ook kerkvoogd van Boer, ten noordoosten van Franeker. Onder zijn leiding werd de kerk daar in 1664 vernieuwd; het poortje draagt zijn initialen I.V.K., de preekstoel zijn naam (De Kinkhoorn 7; Sytse ten Hoeve, ‘Het kerkpoortje van Boer’ (2011), aangehaald in Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek (2022), hoofdstuk 5). Helemaal zonder tegenslag ging zijn loopbaan niet. Op de rekendag van de kerk van Boer, 17 juli 1667, was de rekening van de kerkvoogden niet klaar, en Ignatius beledigde de grietman van Franekeradeel, Johan van Goslinga, en notaris Petrus Rudolphi. Zij klaagden de volgende dag bij Gedeputeerde Staten, die vaststelden dat hij als militair geen kerkelijk ambt mocht bekleden en tegen hun bevel zijn standplaats Delfzijl had verlaten. Zij schorsten hem en hielden zijn traktement in. Op 11 april 1668 stelden de Staten van Friesland hem opnieuw aan als majoor, nu van het regiment dat zij uit hun zeven oude compagnieën te paard vormden onder kolonel Ernst van Haren; de Staten-Generaal behandelden die benoeming op 5 mei 1668 (De Kinkhoorn 11, correctie van 29 september 2026; resolutie van 5 mei 1668; Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek (2022), hoofdstuk 5).
Kolonel in het rampjaar 1672
Met het oog op een oorlog met Frankrijk breidde de Republiek haar leger uit. Op 7 maart 1671 stelden de Staten van Friesland Ignatius aan tot kolonel van een nieuw regiment te paard van zes compagnieën, dat naar hem werd genoemd (De Kinkhoorn 11; Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek (2022), hoofdstuk 5).
In het rampjaar 1672 vielen Frankrijk, Engeland en de bisschoppen van Keulen en Münster de Republiek aan. Het regiment Kingma lag eerst bij Meppel en Coevorden, om de doorgangen door de Drentse venen tegen de bisschop van Münster te bewaken, en werd daarna naar de Rijn gestuurd. Op 12 juni 1672 trokken de Franse troepen bij het Tolhuis bij Lobith door de rivier, terwijl koning Lodewijk XIV toekeek. De Staatse ruiters reden de eersten tegemoet, maar moesten onder het vuur van de Franse batterij terug. Dezelfde dag meldden de gedeputeerden te velde dat de vijand onder meer de ruiterregimenten van Kingma, Haersolte, La Lecq en Joseph had geslagen (De Kinkhoorn 20; De Kinkhoorn 11; Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek (2022), hoofdstuk 1).

Met het terugtrekkende leger van de prins van Oranje kwam het regiment bij Utrecht en daarna in Muiden, aan de Hollandse Waterlinie, waar prins Johan Maurits het graag hield (De verdediging van Nederland in 1672 en 1673, 1850). Maar Friesland vroeg zijn troepen terug en kreeg zijn zin (resolutie van 1 juli 1672): in augustus 1672 verdedigde het regiment onder Hans Willem van Aylva de Friese waterlinie bij Heerenveen en de Oude Schouw tegen de troepen van de bisschop van Münster (Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek (2022), hoofdstuk 1).
In 1674 stond ‘Heer Kingma’ met zijn regiment in de slagorde van het leger van de prins van Oranje, in de tweede linie van de ruiterij op de linkervleugel; op die plaats stond hij ook in de slag bij Seneffe op 11 augustus 1674. Volgens Joost Kingma raakte hij daar gewond (Historien onses tyds, 1685; Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek (2022), hoofdstuk 1).

Brigadier zonder regiment
Vanaf 1678 kreeg Ignatius volgens zijn eigen rekesten geen traktement meer. Jarenlang vroeg hij de Staten van Friesland, via zijn neef Zacheus van Gemmenich, om zijn oude traktement als majoor, en in 1688 liet hij die rekesten drukken. Intussen voerde hij de ererang van brigadier. Zo noemt hij zich in november 1683 in een eerste testament, ‘Brigadier ende Colonel over een Regiment Ruiteren’ (brigadier en kolonel van een regiment ruiters), en zo heet hij in 1685 in akten uit Bergen op Zoom, waar hij met mensen van zijn regiment was (De Kinkhoorn 16; akte van 27 april 1685).
Op 11 juni 1686 ging zijn vaan, het regiment van 1671, over op jonker Douwe Karel van Unia. De Staten van Friesland bleven Ignatius als kolonel erkennen, en in 1688 besloten de Staten-Generaal zijn regiment niet te herstellen. Toen stadhouder Willem III hem in september 1688 beval zich als kolonel bij het leger in Nijmegen te voegen, antwoordde hij dat hij geen geld had om te velde te trekken (De Kinkhoorn 11; resolutie van 20 april 1688; zijn gedrukte rekest van 1688; Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek (2022), hoofdstuk 5).
Thuis in Zweins lag hij overhoop met zijn buurman, de Franeker hoogleraar Johannes van der Waeyen, die met zijn koets, ‘nu met vier, dan met twe paerden’ (nu eens met vier, dan weer met twee paarden), over de lanen van Kingma State naar zijn eigen plaats reed. In 1683 verbood het Hof van Friesland hem dat. Toch klaagde Ignatius in augustus 1689 opnieuw: de professor liet de hekken openstaan, en toen de pachter van Ignatius hem nariep ze te sluiten, werd dat met lachen en juichen beantwoord, en liepen de paarden de dijk op (familiearchief Van Beyma thoe Kingma, Tresoar; Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek (2022), hoofdstuk 6).
Testament en erfenis
In november 1683 begon Ignatius aan een testament dat midden in een zin afbreekt (De Kinkhoorn 16). Op 14 december 1696, 75 jaar oud, was een nieuw testament klaar (De Kinkhoorn 13). Het begint zo:
“In den Name Godes Amen. Alzoo niets sekerder sij dan de doodt, en onzekerder dan de uire en tijdt van dien, in overdenking van welks hebbe ik Ignatius van Kingma old Brigadier en Collonel over een regiment Ruiteren residerende tot Sweins, met voorbedagte rijpe rade, volkomen verstandt, redenen en memorij, uit mijn eigen vrije gemoedt, en wille gemaeckt, dees mijn Testament, uiterste en laatste wille …” (In de naam van God, amen. Omdat niets zekerder is dan de dood en niets onzekerder dan het uur en de tijd daarvan, heb ik, Ignatius van Kingma, oud-brigadier en kolonel van een regiment ruiters, wonend te Zweins, met rijp beraad, bij volle verstand en geheugen en uit eigen vrije wil dit mijn testament en laatste wil gemaakt …)
Zo gaat het veertien handgeschreven foliopagina’s door. Ignatius maakte zijn neef Zacheus van Gemmenich, de zoon van zijn zuster Catharina (Trintie), erfgenaam van Kingma State, als fideicommis: de erfgenaam kreeg het goed in gebruik, maar moest het ongedeeld doorgeven aan de volgende generatie. Zacheus en de latere erfgenamen moesten ‘thoe Kingma’ achter hun naam zetten en het Kingmawapen in hun eigen wapen voeren. Wettige kinderen had Ignatius niet meer (De Kinkhoorn 4; De Kinkhoorn 13; Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek (2022), hoofdstuk 6).

In een aanvulling van 12 november 1698 veranderde hij enkele legaten: wat hij de kerk van Peins had toegedacht, verdeelde hij over de kerk en haar diaconie, en het legaat aan zijn dienstmaagd Antie Keimpes halveerde hij tot 400 caroligulden. Hij ondertekende de aanvulling alleen, ‘op mijn Huys tot Sweins’ (op mijn huis te Zweins), en zette er zijn lakzegel bij (De Kinkhoorn 15; De Kinkhoorn 4).
Ignatius stierf op 26 november 1700 (lidmatenregister van Peins) en werd in de kerk van Zweins begraven, bij zijn eerste vrouw Jaeycke. In zijn testament had hij bepaald dat zijn erfgenamen binnen een jaar na zijn dood ‘de namen en wapenen van mij testator en van wijl mijn vrouw Jaijke van Viersen’ (de namen en wapens van mij en van mijn overleden vrouw Jaijke van Viersen) op de zerk moesten laten houwen, op straffe van honderd rijksdaalders voor het Nieuw Weeshuis in Leeuwarden (De Kinkhoorn 14). Van beide wapens is de bovenste helft weggehakt: in 1796, in de Franse tijd, moesten de wapens van het fideicommis op de state en in de kerken worden weggenomen, omdat familiewapens als teken van standsverschil golden. Waarschijnlijk stond er toen iets over de onderste helft, zodat die gespaard bleef; op de andere Kingma-zerken zijn de wapenschilden helemaal weggehakt (De Kinkhoorn 4; De Kinkhoorn 14).

Zijn zoon Johan, inmiddels ‘Coopman in sijden stoffen tot Utrecht’ (koopman in zijden stoffen te Utrecht), eiste in 1701 bij het Hof van Friesland een zesde van de nalatenschap op, het deel dat een natuurlijk kind naar Fries recht toekwam als er geen wettige kinderen waren. Zacheus gunde hem zelfs de naam Kingma niet en stelde ‘dat een speelkind ’t welk nooit onder eens vaders magt is geweest, niet van des vaders familie kan geagt worden’ (dat een buitenechtelijk kind dat nooit onder het gezag van zijn vader heeft gestaan, niet tot de familie van zijn vader kan worden gerekend) en ‘dat soodanig persoon niet de oorsprong, geslagt en conditie van syn vader maar van syn moeder volgt’ (dat zo iemand niet de afkomst, het geslacht en de stand van zijn vader volgt, maar die van zijn moeder). Johan antwoordde dat hij van jongs af Kingma heette en dat zijn vader hem openlijk had onderhouden. Het proces liep tot 1707: op 7 juni van dat jaar verklaarde het Hof Johan niet-ontvankelijk, en ieder droeg zijn eigen kosten (procesdossier bij het Hof van Friesland, Tresoar; De Kinkhoorn 4; Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek (2022), hoofdstuk 6).
Ignatius was de laatste Kingma die op Kingma State woonde. Na hem woonde Zacheus er zelf, en na diens dood in 1720 zijn dochter Petronella, die er in 1753 als weduwe nog woonde. Rond het midden van de achttiende eeuw kwam de state door vererving aan de familie Van Beyma; Petronella’s zuster Catharina was in 1716 getrouwd met Coert van Beyma. De Van Beyma thoe Kingma’s hielden de state tot de verkoop op afbraak in 1864 (Verslagen omtrent ’s Rijks oude archieven XXIX (1906), p. 373; De Kinkhoorn 13).
Meer over Ignatius. Joost Kingma, Ruiter voor de Republiek. Ignatius van Kingma, een Friese kolonel in het rampjaar 1672 (Gorredijk: Noordboek, 2022), een levensschets met de nadruk op het rampjaar (zie nieuwsbrief 7). Alle bronnen die we over hem kennen, staan op zijn pagina in de stamboom.