IV De Kinkhoorn
De Kinkhoorn 17 — mei 2008
9e jaargang, nummer 1
Dit nummer als pdf · de Engelse vertaling · de oorspronkelijke drukversie
- Voorwoord
- Over eigenerfden, regenten en edelen: opkomst en bloei van de familie Fogelsangh
- Patriciaat en Kingma’s (vervolg)
- Zweins en Kingma State op oude kaarten (2): de kaart van Jacob van Deventer
- Aankondiging van de complete genealogie van de Kingma’s tot en met 1700
- Herbouw van states: Kitsch of nieuwe glorie?
- Kingma Kronkels: Wortels
Voorwoord
In een reprint van “ALGEMEENE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND” geschreven door Haring Wiegers Steenstra, onderwijzer te Dongjum en oorspronkelijk uitgegeven in 1845 lees ik het volgende.
In het jaar 1507 begon men de trekvaart van Leeuwarden op Franeker te graven, die in dat jaar tot aan Kingmastate gebragt, en in het volgende tot aan Franeker vervolgd werd.
Toen zal ook de brug gebouwd zijn waaraan Kingmatille zijn naam heeft ontleend. Dit jaartal past goed bij de oudst bekende provinciekaart waarover het vervolg gaat van mijn reeks artikelen over oude kaarten waarop Zweins voorkomt. Op deze kaart uit 1545 is de trekvaart van Leeuwarden tot aan Harlingen duidelijk te zien.
Over de wonderlijke samenloop van gebeurtenissen waardoor we nu deze oude kaart nog kunnen bestuderen, terwijl er geen exemplaren van de oorspronkelijke kaart meer bestaan, leest u in het betreffende artikel.
Het is algemeen bekend dat de genoemde trekvaart na de tweede wereldoorlog in 1946 is verbreed waarna deze voortaan Harinxma-kanaal werd genoemd. Als gevolg van deze verbreeding verdween de brug van Kingmatille en kwam er een pont die in 1963 weer verdween tot verdriet van de buurtbewoners.
Ruim twee jaar geleden hebben bewoners van het omliggende gebied het initiatief genomen om te streven naar een pontje voor fietsers en voetgangers. Helaas is door allerlei tegenwerking en bezwaren, voornamelijk door niet oorspronkelijk uit de streek afkomstige inwoners, de realisatie zeer vertraagd.
Zelf vind ik dat historisch gezien de verbinding over het kanaal weer hersteld zou moeten worden. In plaats van verstoring verwacht ik een verlevendiging van de buurtschap. Ik wens de stichting ”Keimpetille, it pontsje werom” dan ook veel succes.
Kees Kingma
Voorzitter
Over eigenerfden, regenten en edelen: opkomst en bloei van de familie Fogelsangh
In de XV en XVI eeuw kwam in Friesland een familie op die zich vanuit de eigenerfde boerenstand ontwikkelde tot een familie van regenten met een quasi adellijke levensstijl. Ze onderstreepten hun verkregen aanzien met hun residentie Fogelsanghstate. Kees Kuiken e.a.1 schreven een mooi boek over deze state en de familie Fogelsangh, maar geven ook inzicht in de delicate sociale verhoudingen van die tijd, in bijzonder het onderscheid tussen eigenerfden, regentenpatriciaat en adel. Daarom de veelzeggende ondertitel, ‘de renaissance van een Friese boerenfamilie’. Die renaissance gold voor de Fogelsanghs, maar zou ook enigszins kunnen opgaan voor hun tijdgenoten de vroege Kingma's uit Zweins, die bovendien tweemaal via huwelijken aan de Fogelsanghs zijn geparenteerd. Daarom verdient dit thema uit genoemd boek ook aandacht in de Kinkhoorn. Waar het boek letterlijk wordt geciteerd, is de tekst tussen aanhalingstekens geplaatst.
Fogelsanghstate werd gebouwd op de fundamenten van het voormalige Veenklooster in Kollumerland, dat in 1644 gekocht werd door Dirck Fogelsangh. Deze Fogelsangh, aangeduid als Dirck II, was een kleinzoon van Dirck Fogelsangh I, wiens zuster Hylk Gerritsdr Fogelsangh in 1551 met Jelle Pieters Kingma trouwde. De broer van Dirk en Hylk, Folkert Gerrits, trouwde rond 1580 Sieuw Yntesdr Kingma, een volle nicht van Jelle Pieters. De Fogelsanghs ontwikkelden het kloostergoed tot een ‘heerlijke Zathe, die in de achttiende eeuw te boek stond als de heerlijkheid Fogelsangh’. Dat was ook de tijd dat de state via vererving in bezit was gekomen van de adellijke van Heemstra’s. De state vererfde tenslotte naar de familie van Harinxma thoe Slooten, ook nu nog de eigenaar.

De Fogelsanghs hadden zelf geen adellijke kwartieren, al stamden ze wel uit een familie van eigenerfde boeren en was er een ‘stammoeder die uit een milieu afkomstig was dat rechtvoerende states bezat en heerlijke rechten uitoefende, maar vervreemd was van deze rechten’. Vele states, ook Kingma State, verloren omstreeks 1500 hun heerlijke rechten, tot ongenoegen van hun bewoners, niet zelden eigenerfde boeren. De Fogelsanghs trouwden in de zestiende eeuw nog uitsluitend in hun eigen kring van rijke eigenerfde boeren, waaronder dus tweemaal Kingma’s. Tegelijk intensiveerden ze hun contacten met Hervormingsgezinde Friese edelen, zoals de Harinxma’s, waardoor het gebeurde dat de eerder genoemde Dirck Fogelsangh I ging studeren in Heidelberg. De Universiteit van Leiden moest nog worden gesticht toen ‘Theodorus Vogelsanck en Petrus de Harinxma in 1568 werden ingeschreven aan de gereformeerde universiteit van Heidelberg’. De universitaire studie van Dirk (Theodorus) Fogelsangh (Dirck I) maakte een emancipatiesprong mogelijk van rijke boerenzoon naar regent. Zo speelde hij een belangrijke rol als bestuurder en diplomaat in het conflict met Philips II. Zijn kleinzoon, Dirk II, kocht de kernlanden van de latere Fogelsanghstate. Het bezit van de state werd uitgebreid met stemhebbende zaten, waardoor de bewoners op voet van edelman konden deelnemen aan het grietenij bestuur. Toch was dat maar schijn. In de zeventiende eeuw sloot de adel zich in toenemende mate af van de aansluitende laag van eigenerfden. Dat ondervond ook de familie Fogelsangh, inmiddels deels van Doma geheten, toen de quasi adellijke schoonfamilie (van) Tadema de status van de Fogelsanghs/Doma’s betwistte. Zo werd er heel wat gegoocheld met afstammingen, stamgoederen, heerlijke rechten en wat dies meer zij, om maar bij de juiste stand te mogen behoren.
Wat heeft dat nou allemaal met de vroege Kingma’s te maken. De Kingma’s verschijnen evenals de Fogelsanghs in het midden van de XV eeuw aan het firmament. Er is gespeculeerd dat de eerste (thoe) Kingum een bastaard zou kunnen zijn van de Sjaerda’s, het machtige hoofdelingengeslacht die vanouds o.a. Kingma State bezaten inclusief de bijbehorende ‘heerlijke rechten’. In Friesland waren ‘heerlijke rechten zoals de zwanenjacht, de pastoorsbenoeming en deelname aan de rechtsomgang niet gebonden aan de status van een familie maar uitsluitend aan de feitelijke eigendom van een state’.
‘Kingmazate was, voor dat die eigendom werd van de Kingma’s, zo’n rechtvoerende of edele state. Dat de Kingma’s later eigenerfden waren op hun zate, staat buiten kijf. Het was dan ook op grond van het bezit van de zate Kingum dat Pieter te Kingum in 1529 met zijn broers en zuster voor de rechter het zwanenrecht (en daarmee het heerlijke recht) in Zweins opeisten. Pieter beweerde dat de zate al vijftig jaar in de possessie van de Kingums was, maar kon daarvan geen brieven overleggen’. De afloop van de rechtzaak is onbekend, maar van heerlijke rechten wordt nadien niets meer vernomen. Misschien speelde een rol dat de rechter, Gerrolt van Herema, belanghebbende was als echtgenoot van Luts van Sjaerda en buurman van de Kingma’s in Zweins.
Net als de Fogelsanghs waren de Kingma’s dus nogal druk met hun status bezig. Stammend uit een eigenerfd boerengeslacht, leken ze zich net als de Fogelsanghs een plaats te willen verwerven temidden van de bestuurlijke, veelal adellijke elite van die tijd. De upgrade van de zate naar een state in de zeventiende eeuw paste ook in hun streven naar verheffing. Verschillende Kingma’s hadden in die tijd belangrijke ambten en sommige van hun kinderen studeerden aan de universiteiten van Franeker en Utrecht. De belangrijkste is ongetwijfeld de veel besproken Ynte Saeckles ( Ignatius van ) Kingma, die zijn rechtenstudie afbrak en koos voor een militaire carrière. Hij voerde de staat van een edelman op zijn state, maar hij was ook het einde van het verhaal van de Kingma’s op Kingmastate.
En zo loopt het met de Kingma’s net zo af als met de verwante Fogelsanghs. Hun bezit ging over op andere, later adellijke families en in hoge ambten zien we ze niet meer acteren. In tegenstelling tot de familie Fogelsangh, blijft de familie Kingma voortbestaan. Geen adel, geen regenten, wel boeren, burgers, buitenlui, bijzitters, bankiers, burgemeesters, beurtschippers, bakkers en bouwers, in alle hoeken van de samenleving. Een tegenwoordig wereldwijd vertakte familie, die in al zijn diversiteit een oude gemeenschappelijke eigenerfde oorsprong met elkaar deelt met een sluimerende herinnering aan een onbewezen claim op ‘heerlijke’ rechten.
J. Herre Kingma
1 “Van Fûgelsang tot Fogelsanghstate”, door Kees Kuiken, Reinder Postma en D.J. van der Meer, uitg. Banda, Kollum 2003.

Patriciaat en Kingma’s (vervolg)
Dank voor toezending van de mooi verzorgde Kinkhoorn met wederom in interessante en informatieve stukken. Mijn eigen bijdrage herlezende, constateer ik dat ik een kans voor open doel had kunnen benutten. Ik had de verbinding kunnen leggen tussen de aandacht van je oom Cees voor oude kaarten, waarop Kingmastate voorkomt in combinatie met fenomeen patriciaat en de aanzienlijke status van de Kingma’s tot 1700 blijkens de net gepubliceerde genealogie. Kingma state wordt op de kaarten van Schotanus (1664 en 1718) aangeduid als eigenerfde state of, in latijn, patriciorum sedes. Een edele state is een sedes noblium.
Op die sedes patriciorum van de Kingma’s ga ik even door. Hun huwelijken, hun huizen, hun openbare ambten, studerende kinderen aan de universiteit, gedurende zestiende en zeventiende eeuw, duiden op een staat van leven, die overeenkomt met de stand die wordt aangeduid met het Romeinse begrip patriciaat. Eigenerfde families, die dat konden vasthouden, zoals de (van) Beijma’s, Sminia’s en anderen konden in de XIX eeuw met succes adeldom aanvragen bij de Koning. Als de lijn van Ignatius was blijven bestaan, zou zijn nazaten die status ongetwijfeld ook zijn verleend. Zo zijn vele oude patriciersgeslachten aan hun adellijke titel gekomen vandaag de dag. Voor alle duidelijkheid, de vermelding in Nederland’s Patriciaat van onze lijn is niet daarop gebaseerd. Hylke Jans en zijn nazaten waren nieuwkomers, homines novi in hun tijd. Hun afstamming van moederszijde gaf hen misschien een klein zetje, maar was niet doorslaggevend. Dat was gewoon hun ondernemerschap en burgerzin, die zij en ook later hun nazaten onderstreepten met ambten in het openbaar bestuur.
Kortom, de oude Kingma’s zijn van oorsprong onmiskenbaar een patriciersfamilie, die echter net als de meeste van hun soortgenoten die status niet hebben kunnen vasthouden. Herman van Slooten duidde dat wat badinerend aan als “vervallen tot de boerenstand”, maar de wortels zijn er onmiskenbaar en daar zijn we allemaal trots op vandaag de dag. Dat verlies aan status is heel vaak opgetreden aan het eind van de zeventiende en eerste helft achttiende eeuw. Een beperkt aantal regentenfamilies sloten families, die er maar enigszins buiten vielen, uit van ambten, die ze onderling verdeelden. Het aantal eigenerfden dat rond zestienhonderd gedeputeerde was, was ongeveer gelijk aan het aantal adellijken (lees Jonathan Israel, the Dutch Republic). Rond 1700 is dat aantal gedecimeerd ten gunste van de adel. Ze zijn er gewoon uitgedrukt. Daar zijn bekende voorbeelden van gepubliceerd, zoals over de familie van Hulten, familie van mijn overgrootmoederszijde. Een verre voordochter van Hulten, doopsgezind Groninger stadspatriciaat, trouwde een Groninger jonker. In de later vervaardigde rouwborden met kwartierstaten is haar naam bewust weggemoffeld. Het ‘onterechte’ is dat een eenmaal verworven adellijke titel erfelijk blijft, onafhankelijk van status en dat je zoiets als patriciaat iedere keer weer moet bewijzen. Of onze tak dat over 25 jaar nog zouden kunnen, als dit al erg verwaterde fenomeen dan nog bestaat, is maar zeer de vraag. Onze registratie zie ik meer als een codificatie van een afgesloten periode. Ook onze lijn is geschiedenis geworden. Henk Nicolai zei het wat ironisch: de Kingma’s (van Makkum) bouwen aan hun verleden.
Herleven van de Kingma state zou ook geen herleven van vervallen status moeten zijn, maar herleven van geschiedenis.
Tot zover wat overpeinzingen.
Groet, Herre
21 oktober 2007
Zweins en Kingma State op oude kaarten (2): de kaart van Jacob van Deventer
Al in de Romeinse tijd zijn kaarten gemaakt waarop Friesland als deel van een veel groter afgebeeld gebied voorkwam. Maar de oudste provinciekaart is van Jacob van Deventer, uitgegeven te Mechelen in 1545 samen met kaarten van de andere gewesten Brabant, Holland, Gelderland en Zeeland. Op de kaart van Friesland zijn ook Groningen, Drenthe, Overijsel en een deel van Oost-Friesland weergegeven.
Jacob van Deventer, ook wel genoemd Jacobus a Davenentria of Daventriensis, geboren in 1501 of 1502 in Kampen of Deventer overleed in 1575 in Keulen. Hij bezocht de Latijnse school in Deventer waarna hij in 1520 in Leuven de studie geneeskunde, wiskunde en geografie (landmeetkunde) begon. Vanaf 1530 kreeg hij van de Staten opdracht de Nederlandse gewesten op te meten en in kaart te brengen. Daarvoor maakte hij als een van de eersten gebruik van driehoeksmeting. Omstreeks 1540 is van Deventer door Karel V benoemd tot keizerlijk geograaf.
Van deze kaarten uit 1546 zijn geen exemplaren meer bekend. Dat deze kaarten bestaan hebben blijkt uit vermelding in een aantal bronnen.
In 1916 ontdekte W. Ruge in de “Stadt- und Universitätsbibliothek” van Breslau (het huidige Wroclaw) de kaarten die Bernaerd van den Putte gemaakt heeft op basis van de kaarten van Jacob van Deventer, uitgegeven in Antwerpen in 1559. Deze kaarten worden nu beschouwd als de tweede staat van de oorspronkelijke kaarten van van Deventer van rond 1545. Dit is gebaseerd op vergelijking met de kaart van Tramezini. Hij kopieerde in 1556 de Friese kaart van van Deventer uit 1545 op een kleinere schaal.
Bernaerd van den Putte (1528-1580) was een zoon van de kaartmaker Matthias van den Putte uit Antwerpen. Na 1553 vestigde Bernard zich zelfstandig als figuersnyder op die Lombaerde veste, eveneens in Antwerpen.

Van de tweede staat van deze wandkaarten zijn de laatste bekende exemplaren tot het voorjaar van 1945 in het bezit geweest van de Gemeentebibliotheek van Breslau (nu Wroclaw, Polen, aan de Oder).
Bij oorlogshandelingen zijn de kaarten, die opgeslagen waren in een kasteel in Silezië, verloren gegaan.
Bernhard van ’t Hoff, stadsarchivaris van Deventer, heeft in 1941 met uit Breslau verkregen foto’s een facsimile laten maken. Deze kaarten zijn toen samen met een toelichting van B. van ’t Hoff, door Martinus Nijhoff te ’s Gravenhage uitgegeven in een map getiteld: “De kaarten van de Nederlandsche provinciën in de zestiende eeuw”.
Sommige provinciekaarten zijn kopergravures, andere, zoals de kaart van Friesland, zijn houtsneden. Bernhard van ’t Hoff vraagt zich daarom af of van den Putte soms gebruik heeft gemaakt van de houtblokken van de oorspronkelijke uitgave. Ook omdat hij anders wel zeer getrouw de oorspronkelijke uitgave moet hebben nagevolgd.

De bijgaande foto’s zijn door mij gemaakt in Tresoar, waar twee exemplaren van deze map in het depot liggen. Eén hiervan is eigendom van de Ottema-Kingma Stichting.
De kaart van Friesland is in vier, elkaar iets overlappende delen gemaakt. Het hierbij afgedrukte eerste deel geeft vrijwel heel Friesland weer.
In de linker bovenhoek staat het wapen van Karel V met daarnaast het wapen van Filips II beiden met de, er aan hangende, orde van het gulden vlies. Rechts daarvan het wapen van Friesland.
Op de eerste foto van de gehele kaart in het midden links in versierde lijst het jaartal 1545 en een latijnse opdracht aan Maximiliaan van Egmond, graaf van Buren enz. van 1540-1548 stadhouder van Karel V van Friesland, Groningen en Overijsel. Daarboven het wapen van Van Egmond.
De volgende details op deze kaart zijn opvallend.
Er zijn geen landwegen maar alleen waterwegen aangegeven.

Van de voormalige Middelzee en van het Bildt zijn de contouren (dijken) aangegeven met daartussen “de Sweth” nu “de Zwette” of “Sneekervaart”.
Bij Makkum liggen twee eilandjes voor de kust.
Boven Groningen zijn twee niet meer bestaande eilandjes “Heffesant” en “Bosch” of “Coornsant” aanwezig. Bij de noordoostpunt van Friesland ligt ook nog een eilandje “Banck” genoemd.
De namen van belangrijke plaatsen, zoals “Franicker”, de goën en Het Bildt zijn in gotische letters gedrukt.
De steden zijn aangegeven door stadsprofielen, hierdoor komt de belangrijkheid tot uitdrukking.
De dorpen zijn aangegeven met een kerkje.
Zweins wordt vermeld als “Sweyns”.
Kingmatille en de State worden niet aangegeven.
Bronnen
Deventer, Jacob van. 1941. De kaarten van de Nederlandsche provinciën in de zestiende eeuw. Facsimile-uitgave naar originelen uit 1545-1560. ’s Gravenhage: Nijhoff.
Hoff, B.van ‘t 1941. Toelichting bij de kaarten van Jacob van Deventer. ’s Gravenhage: Nijhoff.
Keuning, J. 1913. De Kartografie van Friesland in de 16e eeuw. Tresoar: Pb 4301
Keuning, J. 1914. De Kartografie van Friesland tot 1600. Tresoar Pb 4302
Rijke, P.J. de. 2006. Frisia Dominium. ’t Goy-Houten: Hes & de Graaf Publishers BV.
Wijk, P.H. 2006. Groninga Dominium. Groningen/Assen: Stichting Uitgeverij Philip Elchers en Koninklijke Van Gorcum
Aankondiging van de complete genealogie van de Kingma’s tot en met 1700
In de gedrukte Kinkhoorn was hier de complete genealogie van Jelle van Kingum en zijn nazaten tot en met 1700 afgebeeld.
De volgende Kinkhoorn zal in zijn geheel aan deze genealogie worden gewijd.
Herbouw van states: Kitsch of nieuwe glorie?
Tijdens de donateursbijeenkomst op 10 december 2007, traditioneel gehouden in het dorpshuis van Zweins, hield architectuurhistoricus en publicist Peter Karstkarel een buitengewoon boeiende inleiding over de bouwkundige geschiedenis van stinzen en states in Friesland.
Wij hadden Karstkarel uitgenodigd omdat hij bij ons te boek staat als een kritische beschouwer van de herbouw van states, een deskundige die daarover in de media ook openhartig zijn afkeur kan uitspreken als het hem niet zint.
Het bestuur van de stichting Herstel Kingma State vreesde dan ook de oren gewassen te krijgen door Karstkarel over de aanstaande herbouwplannen. Niets was minder waar. We kregen een uiterst leerzaam lesje van zo’n twee uur over alle soorten van historische, nog bestaande en verdwenen en zelfs nooit gebouwde stinzen en states in de provincie. Een rondgang langs hoe het wel en hoe het vooral ook niet moet.
Zijn verhaal start in de 14e eeuw met de Hottemastins die familie en horigen moest beschermen tegen aanvallen van de naburige vijand. Vanaf eind van de 12e eeuw was tufsteen geleidelijk vervangen door baksteen als bouwmateriaal. Werd het tufsteen nog vooral gebruikt voor de bouw van kerken, baksteen raakte ook in zwang voor stenen huizen. Deze werden vaak als stenen toren (torenstins) of huis (zaalstins) gebouwd, met name in Westergo en Oostergo.
Een goed voorbeeld van zo’n torenstins is die van Garyp zoals hierbij afgebeeld op een tekening van J.Stellingwerf uit 1722.
De enige nog bewaard gebleven stenen woontoren is de Schierstins in Veenwouden (zie afbeelding). Hier zit volgens Karstkarel niet veel origineels meer aan. De toren is veelvuldig verbouwd.
Meestal werd de benedenverdieping niet bewoond, maar leefde men op de eerste verdieping en daarboven, zodat de bewoners niet uitgerookt konden worden. Om erin te komen had je een ladder nodig. Bovendien bevond je je dan boven je tegenstander die je pek en andere dingen in z’n nek kon gooien. Deze stins is vernoemd naar de schiermonniken (grijze pijen) van het claercampsterklooster.
In Swichum stond een prachtige zaalstins, Ayttastate, zoals te zien op bijgaande tekening uit 1786 van J.Gardenier Visscher.

Vanaf 1520 wordt er niet meer gevochten tussen de fracties in Friesland en breekt een welvarende periode aan waarin dit economisch gezonde gebied rijk wordt. Dit vertaalt zich in een toenemend aantal kastelen, maar ook in rijk versierde renaissance zerken in de kerken. Zo’n zerk kostte wel driemaal zoveel als een doorsnee huis. De stinsen worden nu afgebroken vanwege hun onhandige dikke muren en vloeren. De bakstenen worden hergebruikt als fundering van het nieuwe huis. Een voorbeeld hiervan is Tjaardastate in Rinsumageest. We zien deze state op een tekening van Sjoerd Bonga uit 1834, vlak voor de sloop.

Een foto uit 1886 van Heringastate/Poptaslot is volgens Karstkarel een goed voorbeeld dat als inspiratiebron zou kunnen dienen voor de herbouw van Kingma State.



Karstkarel gaat meer voor ‘nieuw en waarachtig eigentijds’.
En als dat niet lukt kun je altijd nog de richting op van de herbouwde Uniastate, met alleen een buisframe zoals op bijgaande foto is te zien.
En tenslotte Kingma State in het midden van de 19e eeuw.


Joost Kingma
Kingma Kronkels: Wortels
Joost Kingma
Vorige keer merkte ik op dat elk vogeltje zingt zoals het gebekt is.
En dat kan een mooie samenzang opleveren, zo konden we bemerken, want er waren drie complementaire artikelen over onze wortels: de naam Kingma, Kingma State op oude landkaarten en de Kingma genealogie. Dat vraagt natuurlijk om een herhaling. En wederom speelt Fogelsanghstate een rol, namelijk in de bijdrage van Herre Kingma die in de relatie tussen de Fogelsanghers en de Kingma’s is gedoken en in het verslag van de voordracht, die Peter Karstkarel tijdens de donateursmiddag in het najaar over de bouwhistorie van stinzen en states hield. Het was een buitengewoon amusant en interessant verhaal, zeer gewaarderd door de aanwezige donateurs en door de beide bestuurders van de stichting Herstel Kingma State, die als projectontwikkelaar en landgoedeigenaar-in-spe in hoge mate geboeid zijn door de vraag hoe de historische allure van states vertaald kan worden in het ontwerp van een geheel nieuw complex van een handvol woningen. Want ook dat proces heeft voortgang. In februari stuurde de gemeente Franekeradeel onze ontwerpuitgangspunten voor de herbouw van de state naar de provincie om in aanmerking te kunnen komen voor de status van proef-landgoed (zelf gebruiken ze het woord pilot hiervoor, maar de combinatie van landgoed met pilot vindt ik zelf niet zo gelukkig gekozen, hoewel je doorgaans als passagier wel hoopt dat een piloot goed landt). In mei zullen de eerste ideeënschetsen voor de inrichting van het gebied door landschapsarchitect Michael van Gessel aan gemeente en provincie worden gepresenteerd. Zelf zijn we erg enthousiast over deze eerste proeve van ontwerp van het landgoed-in-wording. We hopen u er tijdens de volgende donateursbijeenkomst meer over te kunnen vertellen. Als u er dan overigens oren naar heeft, want u wisselt misschien liever van gedachten over de dan verschenen Kinkhoorn die geheel in het teken zal staan van onze wortels: de genealogie van de Kingma’s tot 1700.

