IV De Kinkhoorn

De Kinkhoorn 9 — april 2004

5e jaargang, nummer 1

Dit nummer als pdf · de Engelse vertaling · de oorspronkelijke drukversie · de omslag · de Duitse vertaling van Ralf J. Kingma

Voorwoord

Opnieuw kunnen we terugkijken op een geslaagde en goed bezochte donateursbijeenkomst in Zweins. Na de verwelkoming en de gebruikelijke plaatjes die het afgelopen jaar een rol hebben gespeeld werd niet door de archeoloog, die door familieomstandigheden onverwacht verhinderd was, maar door onze secretaris verslag gedaan van het op het stateterrein verrichte archeologisch onderzoek. Daarna verlieten we het dorpshuis om in de kerk van Zweins door Sytse ten Hoeve op boeiende wijze te worden ingelicht over het kerkgebouw en de daarin aanwezige zaken. Het feit dat dit in de kerk plaats vond gaf een speciaal cachet aan de voordracht. Daarna zijn we naar het dorpshuis teruggekeerd om gezellig na te praten.

In deze Kinkhoorn eveneens een verslag van het archeologisch onderzoek en we besteden ditmaal aandacht aan de oom van Ignatius, de broer van Saeckle, Jan, wiens grafzerk in de kerk van Tytsjerk ligt. Verder komen er o.a. ook Kingma’s aan bod waarvan de nazaten wel heel ver weg wonen.

In Kinkhoorn 7 heb ik een artikel geschreven over het kerkje van Boer en de door Ignatius geschonken preekstoel. De inhoud van dit artikel was voor een groot deel gebaseerd op informatie die ik van de Stichting Alde Fryske Tsjerken had gekregen en die weer voor een deel bestond uit een in een krant gepubliceert artikel. Hieruit bleek dat de kunstenaar Cees Launspach, die het kerkje als atelier in gebruik heeft, dat niet meer zou willen na een restauratie vanwege de dan ontstane “cleane” sfeer. Nadat de Stichting Alde Fryske Tsjerken mijn artikel ook in hun eigen periodiek “Keppelstok” hadden overgenomen werd ik tot mijn verrassing door Cees Launspach gebeld en zei hij mij dat hij dat zo niet bedoeld had. Na een restauratie zou hij een deel van zijn werkzaamheden, waarbij veel stof wordt gemaakt, niet meer kunnen uitvoeren en zou hij rekening moeten houden met bezoekers. Maar, zo zei hij, dat hield niet in dat hij er niet meer wilde werken. Ik heb hem toen, tot zijn genoegen, beloofd dat ik dit in een volgende Kinkhoorn zou rectificeren. Bij deze dus.

Kees Kingma

Resultaten van het archeologisch onderzoek

Het archeologisch onderzoek op het stateterrein, oktober 2003
Het archeologisch onderzoek op het stateterrein, oktober 2003

Wel contouren van state en gracht, geen duidelijke fundamenten

Samenvatting

In oktober 2003 heeft Arcadis, in opdracht van de Stichting Kingma State, een verkennende archeologische inventarisatie uitgevoerd op het terrein van de voormalige Kingma State.

Bekend is dat de State in 1864 werd verkocht op afbraak en dat de onderliggende terp daarna is afgegraven ter winning van de vruchtbare terpaarde.

Doel van dit onderzoek was een beeld te krijgen van eventueel resterende sporen van bewoning in de bodem. Dit zowel uit strikt historische interesse als uit een oogpunt van mogelijk herstel van de State.

Gekozen is voor een booronderzoek waarmee relatief snel en kostenefficiënt een verkenning kan worden uitgevoerd die voldoende betrouwbaar antwoord geeft op de onderzoeksvragen.

Geconcludeerd kan worden dat de contouren van de gebouwen en grachten, zoals bekend van oude tekeningen en kaarten van de State, traceerbaar zijn in het terrein, maar dat er geen duidelijke fundamenten zijn aangetroffen. Wel geven de boringen puinresten te zien op plaatsen waar gebouwen hebben gestaan en fosfaatresten die duiden op de aanwezigheid van een terpmantel.

In het navolgende wordt een samenvatting gegeven van de onderzoeksresultaten aan de hand van het rapport van Arcadis 1.

Historische situatie

Kingmatille in Zweins, 1948
Kingmatille in Zweins, 1948

Het onderzoeksgebied ligt binnen het in de 11de eeuw omdijkte gebied van Westergo.

Terpen in Westergo
Terpen in Westergo2

Kingma State ligt zo’n 4 km oostelijk van Franeker, op een terp daterend van vóór deze omdijking. De omgrachte State zelf is van latere datum. De oorsprong van de State stamt uit het begin van de 16de eeuw, maar kan pas na een verbouwing van rond 1600 een state worden genoemd.

Kaart van Zweins met de Kingma State en de Kingmatille
Kaart van Zweins met de Kingma State en de Kingmatille
Detail van de historische atlas van het midden van de 19e eeuw
Detail van de historische atlas van het midden van de 19e eeuw

Op de hierboven afgebeelde historische atlas van midden 19e eeuw 3 is de State te zien met haar grachten en bebouwing. Het omliggende land is in gebruik als landbouwgrond.

De Kingma State ligt in een open weidelandschap dat werd gedomineerd door de oude trekvaart naar Leeuwarden of de Harlingervaart. Deze diende ook als ontsluiting van de State. De singel met opvaart liepen vanaf de trekvaart in een rechte lijn noordwestelijk naar de State.

Op een recentelijk gemaakte tekening is de situatie van het stateterrein met de ligging van gebouwen, grachten en tuin- en landschapsaanleg zo goed mogelijk gereconstrueerd, gebruik makend van historische kaarten en materiaal uit het state-archief.

Deze reconstructie is voor een deel gebaseerd op een schematische tekening van het landgoed, waarvan niet duidelijk is of dit een ontwerp betreft of een beschrijving van een uitgevoerde situatie.

Reconstructie van de situatie van Kingma State (tekening: Dipl.-Ing. architect Ralf J. Kingma, Friesenheim)
Reconstructie van de situatie van Kingma State (tekening: Dipl.-Ing. architect Ralf J. Kingma, Friesenheim)

Veldonderzoek

Na afbraak van de State (na 1864) is het terrein afgegraven in het kader van in de 19e eeuw gebruikelijke winning van terpaarde voor de bemesting van arme gronden elders in het land.

Circa 25 jaar geleden werd het centrale deel van het terrein, namelijk het gebied binnen de voormalige gracht, toegedeeld aan Staatsbosbeheer, die het voorzien heeft van een bosbeplanting.

Door deze, inmiddels volwassen, beplanting en de lage ligging als gevolg van de afgraving is het terrein niet goed toegankelijk.

Dit was mede bepalend voor de keuze voor boringen als verkennende techniek.

De onderzoeksvragen waren:

  1. Zijn er nog (restanten van) de fundamenten van de oude State traceerbaar?

  2. Zijn de contouren van de slotgracht nog te bepalen?

  3. Zijn er nog restanten van de terpmantel aanwezig?

Het onderzoek is op 7 en 8 oktober 2003 uitgevoerd door middel van grondboringen, variërend in diepte van 125 tot 225 cm, met behulp van een zgn. Edelmanboor.

Het booronderzoek op het terrein, 7 en 8 oktober 2003
Het booronderzoek op het terrein, 7 en 8 oktober 2003

Omdat er sprake was van waarderend onderzoek is er gericht gezocht op basis van aanwijzingen op voorhanden kaartmateriaal. Er zijn in totaal 42 boringen gezet in 6 clusters:

  1. Schuur en wagenhuis

  2. Zwaneneiland

  3. Gracht en huis

  4. Verhoging

  5. Brug (?)

  6. Woning

Detail van de kadastrale kaart van 1832 met de zes boorclusters
Detail van de kadastrale kaart van 1832 met de zes boorclusters

Samengevat kan worden gezegd dat de contouren van de oude Kingma State getraceerd zijn. De boringen in de verschillende clusters bevestigen de ligging van de op die plaats op de kaart weergegeven bebouwing en grachten.

In de boorkernen zijn ‘dateerbare’ archeologische indicatoren aangetroffen. Het gaat hierbij om puin; vooral rode maar ook wat oranje en gele baksteenresten evenals cement, verder zijn wat aardewerkfragmenten gevonden. Het materiaal stamt uit de Nieuwe Tijd. De baksteenresten zijn niet preciezer te dateren. De geglazuurde scherf uit cluster 1 is te dateren in de periode van de 17de tot 18de eeuw. De steenwerk scherf uit dezelfde cluster is niet exacter te dateren dan de periode van 1500 – begin 20ste eeuw. De overige archeologische indicatoren (fosfaatresten, houtskool) zijn niet te dateren.

Getuige de fosfaatresten die in vrijwel alle boringen zijn aangetroffen en de zwak humeuse lagen die zich boven het moedermateriaal waarop de terp is aangelegd bevinden, is er nog een deel van de terpmantel aanwezig. De laag is gemiddeld 50 cm en hooguit 100 cm dik en vormt de bodem van de terp.

Joost Kingma

Noot: Het archeologisch onderzoek kon uitgevoerd worden dankzij de ruimhartige geldelijke steun van een groot aantal donateurs en een financiële donatie van de Kingma Stichting.

1 Aanvullende archeologische inventarisatie Kingma State. Arcadis, januari 2004

2 Van Middelzee tot Bildt; Landaanwinning in Fryslân in de Middeleeuwen en de

vroegmoderne tijd. Mijndert Schroor, ROB, 2000

3 grote Historische Atlas van Nederland, 1:50:000, deel 2, Noord-Nederland,

1851-1855

Uitersten (2)

Naar aanleiding van een artikel in de Kinkhoorn nr. 2 van Joost Kingma over de Kingma’s in Australië en een gesprek met Carlos Kingma Gervola uit Punta Arenas in Chili, werd mijn nieuwsgierigheid geprikkeld naar de herkomst van deze familie Kingma en hoe deze Kingma’s ooit in het meest zuidelijke deel van Zuid Amerika, het Chileense deel van Patagonië, terecht waren gekomen.

Punta Arenas is gelegen aan de Straat Magellanes, welke tot 1914 bij de ingebruikname van het Panamakanaal, de belangrijkste scheepvaartverbinding van Europa naar de Westkust van Zuid Amerika en de Verenigde Staten vormde.

De Chileense regering koloniseerde het gebied in 1843 en ontwikkelde hier een strafkolonie. In 1852 importeerde de toenmalige gouverneur 300 schapen van de Falklandeilanden. De schapenteelt vormde later een van de belangrijkste rijkdommen van het gebied en de wol werd ook wel het witte goud genoemd. In 1867 verklaarde de toenmalige president van Chili Punta Arenas tot vrijhaven, welke status de stad nog steeds heeft. Tevens werd de immigratie gepromoot en werd Punta Arenas, door de toename van stoomvaart, een belangrijke strategische havenplaats. Tot 1914 met de opening van het Panamakanaal, kende Punta Arenas een grote economische groei, mede als gevolg van de ontdekking in 1885 van goud in Tierra de Fuego (Vuurland) en de daarmee op gang komende emigratiegolf. Inmiddels hadden zich een aantal grote ondernemingen ontwikkeld op het gebied van de schapenteelt, wol en slachthuizen.

Punta Arenas is nu een stad van circa 110.000 inwoners, waar toerisme, veeteelt, hout, olie en gaswinning een belangrijke bron van inkomsten vormt. Tevens is Punta Arenas de belangrijkste bevoorradingshaven voor het Zuidpoolgebied. ’s Winters, in juli, bedraagt de gemiddelde temperatuur in Punta Arenas 2,1º Celsius, ’s zomers, in januari (zuidelijk halfrond), bedraagt de gemiddelde temperatuur 11,4º Celsius. Het gebied van Punta Arenas wordt ook wel genoemd ¨La tierra más austral del mundo¨, of te wel ¨het meest zuidelijk gelegen gebied ter wereld¨.

Het voorgaande geeft een beeld van het gebied waar de Kingma’s zich hadden gevestigd.

Terug naar Carlos Kingma Gervola.

Het gebruik van de dubbele achternaam is gebruikelijk in Spanje en een groot deel van Zuid Amerika. De toevoeging Gervola aan de naam Kingma, betekent dat de eerste achternaam van de moeder van Carlos, Gervola was.

Via Joost Kingma kwam ik in het bezit van een e-mailadres in Punta Arenas om met Carlos in het Spaans contact op te nemen. Hij reageerde enthousiast en wilde met zijn zuster donateur worden van de Stichting Kingma State. Natuurlijk was hij erg geïnteresseerd in zijn roots in Friesland. Van Carlos ontving ik informatie uit het bevolkingsregister uit Punta Arenas met gegevens van zijn grootouders. In de met de handgeschreven documenten waren de namen enigszins verbasterd, Bauke was Bonke geworden en Antje Lodewegen was Anne Loodenegen geworden. Volgens Carlos zou Antje Lodewegen in Buitenpost geboren zijn en rond 1900 geëmigreerd zijn. Een zoon van Bauke en Antje, Cornelis, die in 1916 verdronken was, zou volgens de gegevens in Groningen geboren zijn.

Met dit gegeven ben ik gaan zoeken via Internet in de bestanden van het Rijksarchief in Friesland. Gelukkig kwam de naam van Bauke Kingma maar één keer voor en wel te Anjum, geboren in 1866. Ook Antje Lodewegen was snel gevonden, geboren in 1865 in Buitenpost. Gezien de leeftijd moesten dit wel de gezochte Bauke en Antje zijn. Met de naam Cornelis (zoon van Bauke en Antje) werd de link gelegd met Kornelis Minnes Kingma, geboren in 1833 te Anjum, vader van Bauke Kingma .Vervolgens zoeken in de onvolprezen genealogie van de Kingma’s op de website van Ruurd de Bruijn, hier kwam Bauke weer in beeld via de parenteel van Gerrit Arjens, geboren rond 1700 te Anjum. Het probleem was dat van Bauke Kingma en Antje geen gegevens over hun huwelijk te vinden waren in de bestanden van het Rijksarchief in Friesland, conclusie de familie was mogelijk vertrokken uit Friesland. Volgens de gegevens uit Chili was een zoon van Bauke en Antje geboren in Groningen. Vervolgens via Internet toegang gezocht tot het Rijksarchief in Groningen, waar voor de meeste gemeenten de huwelijken zijn verwerkt. Hier bleek dat Bauke en Antje in 1888 te Grijpskerk waren getrouwd. Ook Bauke’s vader was hier weer hertrouwd; de familie was blijkbaar verhuisd van Anjum naar Grijpskerk. Voor verdere informatie zat er niks anders op dan fysiek te gaan zoeken in het Rijksarchief te Groningen. Hier bleek inderdaad dat de familie in 1881 vanuit Anjum naar Grijpskerk was verhuisd. Bauke en Antje raakten weer zoek in het bevolkingsregister, kwamen echter weer boven water in het aparte register van boerenarbeiders en dienstmeiden. Beiden waren in 1884 en 1885 werkzaam op boerderijen te Oldehove. Waarschijnlijk hebben Bauke en Antje elkaar daar leren kennen en zijn vervolgens in 1888 in Grijpskerk getrouwd. Vanuit Oldehove zijn ze vervolgens verhuisd naar de gemeente Ulrum. Aangezien het bevolkingsregister van Ulrum niet op alfabetische volgorde was gerangschikt, was het moeilijk zoeken. Via een ambtenaar van het gemeentelijke archief van de gemeente De Marne in Groningen, kwam ik in het bezit van een kopie uit het bevolkingsregister van de gemeente Ulrum met de gegevens van de familie van Bauke Kingma.

Hieruit bleek dat Bauke en Antje in maart 1896 met vier kleine kinderen vertrokken waren naar Chili. De vraag is natuurlijk hoe een gezin van een dagloner uit Ulrum er toe komt naar Chili te emigreren en wie die reis betaalde? De omstandigheden op het platteland waren eind 19e eeuw zeer slecht in verband met de beruchte landbouwcrisis. Voor een dagloner was het armoede. Bij de archiefstukken van Bauke en Antje zat een bewijs van onvermogen voor het betalen van de registratie van hun huwelijk bij de burgerlijke stand. Bij het doorlopen van het bevolkingsregister van de gemeente Ulrum over de periode dat Bauke en Antje hier woonden, kwam ik de naam tegen van een zekere Brandt, kapitein van een stoomboot. Het curieuze is dat in de stukken van het bevolkingsregister van Punta Arenas in Chili, bij de aangifte van de geboorte van de vader van Carlos Kingma in 1901, een J. G. Brandt tekent als ambtenaar van de burgerlijke stand en verklaart een kennis te zijn van Bauke Kingma. Mogelijke ligt hier een link en was men in Ulrum bekend met de ontdekking van goud in Tierra de Fuego en de promotie van de emigratie naar Patagonië door de Chileense regering (zie voorgaande informatie over Punta Arenas).

Met de door Carlos Kingma Gervola aangeleverde gegevens, aangevuld met gegevens uit de archieven van de Mormonen, is het beeld van de Kingma’s in Chili aardig compleet.

Antje Lodewegen is in 1946 in Santiago de Chile overleden. Het is niet duidelijk waar Bauke en twee van zijn zonen zijn gebleven. Mogelijk kan Carlos daar nog uitsluitsel over geven. Het is niet uitgesloten dat Bauke en twee van zijn zonen naar Nederland zijn terug gekeerd.

Uit dit gegeven blijkt dat één van de zonen van Bauke, genaamd Bouke, nazaten heeft in de provincie Santa Cruz in Argentinië. De naam Kingma komt daar op dit moment nog voor.

De naspeuringen naar de Kingma’s brengt je naar afgelegen streken in de wereld en allemaal met een eigen geschiedenis. Ook roepen deze naspeuringen nieuwe vragen en uitdagingen op.

Het zou een goede zaak zijn als meer van dit soort geschiedenissen bekend worden en toegevoegd kunnen worden aan de geschiedenis van de Kingma’s.

Tjeerd Kingma

tjeerd.kingma@planet.nl

Een Kingma-molen en Kingmascholen

Regelmatig ontvang ik verkeerd bezorgde e-mail, die blijkens de inhoud gericht is aan een Kingmaschool. Die mail gaat natuurlijk altijd netjes retour afzender, maar je wordt op de’n duur toch wel nieuwsgierig naar die school.

Op het internet blijken twee scholen van die naam te vinden te zijn, één in Amersfoort en één in Amsterdam. De overeenkomst is dat beide scholen speciaal onderwijs bieden. De school in Amersfoort biedt basisonderwijs voor kinderen met leer- en ontwikkelingsproblemen. De Kingmaschool in Amsterdam is gericht op Voortgezet Speciaal Onderwijs voor dezelfde groep kinderen.

Verder speurend trof ik in mijn archief(je) een artikel aan over een zekere Fokke Yntes Kingma (1813-1883), pedagoog. Broer Paul was zo attent om me dat toe te sturen.

Deze Fokke, zo blijkt uit het artikel, was een zeer vooruitstrevend en vernieuwende onderwijzer in zijn tijd. Hij is onder meer de bedenker van de ‘Kingma-molen’ (zie foto), een soort letterrad dat gebruikt werd in een door hem ontwikkelde leesmethode die als voorloper beschouwd kan worden van het leesplankje van Hoogeveen. Het letterrad van Kingma bestond uit drie verschillende schijven waarmee allerlei woordcombinaties konden worden gemaakt. Ook introduceerde hij een nieuwe vorm van zangonderwijs voor de lagere school, het cijfer-notenschrift, en ontwikkelde hij nieuwe ideeën voor het onderwijs aan kinderen met leerstoornissen. Aan dat laatste heeft hij waarschijnlijk te danken dat de scholen naar hem vernoemd zijn. De websites van de scholen zeggen niets over de oorsprong van hun naam. Maar uit de levensgeschiedenis van Fokke Yntes Kingma blijkt dat hij zowel in Amersfoort als in Amsterdam scholen heeft gesticht. Geboren op 2 november 1813 in het Friese Wolvega ontwikkelde hij zich tot een landelijk bekende pedagoog, veelzijdig en gedreven. Hij had het evenwel ook regelmatig aan de stok met de autoriteiten. Niet in de laatste plaats als hij weer eens zijn magere onderwijzersinkomen voor zijn grote, 9 kinderen tellende gezin wilde opkrikken.

De Kingma-molen (collectie Museum Flehite, Amersfoort)
De Kingma-molen (collectie Museum Flehite, Amersfoort)

Zijn omzwervingen als gevolg daarvan brachten hem achtereenvolgens in Elburg, Amersfoort, Oudega, Leeuwarden, weer Amersfoort, Amsterdam, Den Haag, Utrecht en tenslotte weer Amsterdam waar hij op 18 april 1883 overleed. Een groot aantal vernieuwende publicaties over onderwijsmethoden zijn van zijn hand verschenen.

Joost Kingma

Bron: ‘Fokke Yntes Kingma (1813-1883). Pedagoog’, uit de serie Utrechtse biografieën, Het Eemland (2). Uitgever: SPOU (Stichting Publicaties Oud Utrecht).

Jan (van) Kingma, gedeputeerde staat van Friesland

Jaren geleden (ik denk in 1958) kwamen bij werkzaamheden in de hervormde kerk van Tietjerk (nu Tytsjerk) enkele oude grafzerken aan het licht. Volgens krantenberichten van destijds dateerde een daarvan, die helaas dwarsdoorgebroken was, van 1645. Die moet er al gelegen hebben toen in 1721 de oude kerk werd afgebroken en door een nieuwe vervangen. Het opschrift luidde: “Ao 1645 de 21 Ianneur. sterf Ian va Kingma gewese Gedepeterd. Staet va Frislandt ovt 59 Iaer.” In het midden moet een onduidelijk wapen van de Kingma's te zien zijn geweest.

De grafzerk van Jan van Kingma
De grafzerk van Jan van Kingma in de kerk van Tytsjerk

Wie was deze Jan van Kingma? Dat was Jan Intes Kingma, ook genoemd Joannes, Johannes of Johan van Kingma. Hij is geboren ±1585 te Schalsum en dus - zoals hierboven blijkt - overleden op 21 januari 1645. Ongeveer 1640 trouwde hij met Bauck Pieters Beyma (ook een keer vermeld als Meyma), die tussen 1674 en 1677 te Minnertsga moet zijn overleden.

Hun dochter Trijntje Jans (van) Kingma is de stammoeder van de Kingma's van Makkum. Een van haar kleinzoons, Hylke Jans, nam van haar min of meer tegen zijn zin de geslachtsnaam Kingma over. Een bijzitter (wethouder) moest volgens de grietman toch een achternaam hebben (zie blz.45 en 46 van "De Kingma-Kroniek" de geschiedenis van de Mak­kumer Kingma's, het proefschrift van Henk Nicolai).

Jan (van) Kingma was de zoon van Ynte Jelles Kingma. Die was weer een zoon van Jelle Pieterzn. Kingma, wiens vader Pieter Jellezn. Kingma, een zoon was van de oudstbekende voorvader, Jelle Kingum (geboren ±1450 en overleden op Kingmasate te Zweins in 1538).

Jan woonde in 1615 te Weidum. Volgens blz.42 van “Weidum, dorp van staten" (drs. R. Mulder-Radetzky en B. de Vries - 1994) is Jan Intes Kingma in 1618 de eerstbekende eigenaar van het terrein van de state Oud-Bornia. Of er toen al een gebouw op stond, weten de schrijvers niet.

Van 1 juni 1627 tot 20 februari 1630 was Jan Kingma gedeputeerde staat van Friesland.

Jan Kingma heeft later (1633) in Huizum op Abbingastate gewoond; in 1638 woonde hij daar nog. In 1640 was deze state nog zijn eigendom. Hij woonde toen echter op Farnia- (of Fernia-) state te Minnertsga, die hij ook in eigendom had. De Prekadastrale atlas Barradeel geeft aan: 1640 - 16: Fernia - eigenaar: De hr. Johan Kingma; gebruiker: De hr. Johan Kingma.

In 1645 woonde hij met zijn gezin te Tietjerk. Uit het doopboek van die gemeente blijkt namelijk dat daar op 6 april 1645 is gedoopt Hubrecht, dochter van Jan Kingma en Bauck Beyma. Kort tevoren is hij dus gestorven. Zijn weduwe moet later weer teruggegaan zijn naar Minnertsga; in het lidmatenboek van die gemeente van 1665 staat bij 25 januari: "Juffr. Bauckien Kinghma, wed. wln. Jan van Kingma, van nieuw tot lidmaat aangenomen."

Uit een publicatie in het Genealogysk Jierboek 2001 van de Fryske Akademy over "It Capellelien fan Minnertsgea" worden we nog iets meer gewaar over het wedervaren van deze Jan/Johan Kingma. In 1637 koopt Jan Kingma, oud-gedeputeerde van Friesland en inwoner van Huizum, 21 gg. vrije eeuwige jaarlijkse rente uit de sate "Fernia" te Minnertsga, bewoond door juffer Nitzen, voor 546 gg. van de jonkers Homme van Bootsma en Hessel van Popma.

In 1643 kopen Reyn Haytsma en Jan Gerryts, beiden te Minnertsga, 6 pondemaat greide aldaar van Johan Kingma voor 140 gg. per pondemaat. Van dezelfde Kingma, oud-gedeputeerde van Friesland, kopen Reyn en Rintske in 1643 5 pondemaat bouwland te Minnertsga voor 160 gg. 15 st. per pondemaat.

In 1678 procedeert Dirck Claessen te Ferwerd als vader van Reyn Dircks bij Saeske Reyns Haeytsma zaliger tegen de erven van Johan van Kingma en die van zijn overleden dochter (dit moet natuurlijk zijn: vrouw) Bauck van Beyma over niet betaalde eeuwige renten of een grondpacht "uyt de plaetse Fernia comende".

Het zou interessant zijn om meer te weten te komen over het leven van zo'n 17e eeuwse Kingma, maar het onderzoek daarnaar laat ik graag over aan een historicus.

T.J. Kingma, Burgum

Over de grafzerk van Jan Kingma

Toen ik de bovenstaande tekst voor plaatsing in de Kinkhoorn kreeg, heb ik de auteur van dit stuk beloofd te zullen proberen foto’s van de zerk te maken. Door de vriendelijke medewerking van de sleutelbewaarder van de kerk is dit ook gelukt.

o 1645 de 21 Ianneur. sterf”" loading="lazy">
Bovenrand van de zerk: “Ao 1645 de 21 Ianneur. sterf”

De tekst op de zerk, voor het merendeel in Romeinse kapitalen, behoeft enige toelichting. 1

Bovenaan staat de datum van overlijden “Ao 1645 de zj betekent: Anno 1645 den 21ste . Het streepje boven de E betekent dat het woord is afgekort, in dit geval door de n weg te laten.

Bij “IannevR.” moet de I gelezen worden als een J en de v als een u, dit was destijds heel gebruikelijk De punt achter de v geeft aan dat het woord is afgekort en de kleine r er boven moet dan de laatste letter van het woord zijn. Dit resulteert dan in “Janneuar” ofwel Januari. Bij elkaar staat hier dus: “Anno 1645 den 21ste Janneuar sterf”.

Boven deze tekst op de rand van de steen staan de initialen “CI”. Deze staan voor Claes Jellesz. de meester-zerkhouwer.

d.”" loading="lazy">
Rechter zijkant: “Ian va Kingma gewese Gedepeterd.”
Vervolg van de rechter zijkant: “Staet va Frislandt ovt 59 Iaer”
Vervolg van de rechter zijkant: “Staet va Frislandt ovt 59 Iaer”

Langs de rechter zijkant gaat de tekst verder met “Ian va Kingma gewese Gedepeterd. Staet va Frislandt ovt 59 Iaer”.

Ook hier moet de I van Ian gelezen worden als een J. “Van” is twee maal afgekort door weglating van de n , aangegeven door een streepje boven de a . Het zelfde bij gewese(n) met een streepje boven de e.

Bij “Gedepeterd.” is het wat merkwaardig. De punt geeft aan dat het woord is afgekort en de kleine d er boven dat het op een d moet eindigen. Het is mij niet duidelijk wat hier voluit had moeten staan. Zeker is dat er “Gedeputeerde” bedoeld wordt. Het zou ook kunnen dat de d bedoeld is als afkorting van der.

Ook in “ovd” is de v gebruikt in plaats van de u.

Op de hoeken van de zerk zijn de z.g. leeftijdskoppen aangebracht. Deze zijn meestal van een man, als kind, jongeling, volwassene en als bejaarde of schedel. Ze beelden de opkomst en ondergang van het menselijk leven uit.

In het middenveld worden vaak namen en sterfdata vermeld, niet in Romeinse kapitalen, die betrekking hebben op kinderen die jong overleden zijn. 2 Ook hier staat zo’n vermelding die luid: “Ao 1641 de zi Ianneur. sterf ynte kin”, ofwel “Anno 1641 den 21 Janneuar sterf Ynte Kingma”. Dit kan niet de zoon zijn die vaandrig is geweest. Dus moet er later nog een zoon geboren zijn die dezelfde naam kreeg. Dat vermeld ook de stamreeks van de Kingma’s die de heer H.G. van Slooten uit Leeuwarden in 1952 heeft opgesteld. hij noemt vier kinderen van Jan. De eerste Ynte die in hetzelfde graf als zijn vader begraven is. De tweede Ynte die in een hypotheekakte uit 1679 vermeld is als vaandrig. Dochter Hybrech(je) of Sybrech(je). Het laatste is waarschijnlijker en ze wordt ook vaker zo genoemt. En tenslotte Trijntie, de stammoeder van de Makkummer Kingma’s.

Langs de linker kant van de zerk is geen tekst aangebracht. Deze plaats is normaliter bestemd voor de vrouw. Die is echter elders begraven.

Van het Kingma-wapen dat op de zerk gestaan zou hebben is helaas niet meer overgebleven dan de versiering er omheen.

Kees Kingma

Literatuur: Zerken in Friesland 1535–1680, door Rik Vos e.a. Uit de reeks “Monument van de Maand”, jrg. 9, dl. 3a. ISBN 90 73845 27 0.

1 Voor ca.1550 werden veelal Gotische minuskels gebruikt.

2 Zie b.v. de grafzerk van Saeckle Yntes Kingma in de kerk van Zweins.

Hoe werd Hylke Jans een Kingma?

Tegeltableau met het kofschip ‘De Twee Gebroeders’ van Hylke Jans Kingma; hij staat zelf als koopman in de sloep. Dirk Jacobs Danser (1699–1763), Fries Scheepvaart Museum, via Het Geheugen van Nederland
Tegeltableau met het kofschip ‘De Twee Gebroeders’ van Hylke Jans Kingma; hij staat zelf als koopman in de sloep. Dirk Jacobs Danser (1699–1763), Fries Scheepvaart Museum, via Het Geheugen van Nederland

Hylke Jans was grootschipper en innovatief scheepsbouwer, had een zeil-, blok- en mastmakerij, een touwslagerij en was reder en koopman met een netwerk van Sevilla tot Sint Petersburg. Dat kon hij allemaal doen onder de naam Hylke Jans. Maar toen hij werd benoemd tot mederechter in het grietenijbestuur van Wonseradeel, nam hij – met lichte tegenzin – de naam Kingma aan…

Uw redactie in gesprek met (Jan) Herre Kingma, voorzitter van de Vereniging Familie Kingma, die graag enige voorvallen opdiept uit de rijke familiegeschiedenis van verre voorouder Hylke Jans en diens nakomelingen.

“Men zegt: wij Kingma's zijn een beetje de Buddenbrooks van Nederland.'' De familie uit het Friese dorp Makkum zat eeuwenlang in zaken, net als de rijke, Lübeckse familie Buddenbrook in de roman van Thomas Mann. En net als de familie in Buddenbrooks ondertitel – Verfall einer Familie – is na een kleine driehonderd jaar het aantal ondernemers in de familie Kingma op de vingers van één hand te tellen. In de zeventiende eeuw zeilden de Kingma's nog als vrachtvaarders, maar binnen één generatie werden ze rijk. Hylke Jans Kingma (1708-1782) verdiende een vermogen met handel, rederij en scheepsbouw. Hylke Jans is de stamvader van de Makkumer Kingma’s. Hij werd in 1708 in Makkum geboren. In het voorjaar van 1746 maakte hij met zijn kofschip “De Twee Gebroeders” (vergaan in 1838 op de Zuiderzee) een reis van Bordeaux naar Sint Petersburg, waar hij een hoeveelheid drank, reukwater, zuidvruchten en koloniale waren verkocht. Van de winsten die hij haalde uit deze en andere koopvaardijreizen bouwde hij onder andere in 1764 een oliemolen en in 1767 een pakhuis, beiden genaamd “Fortuin uit Zee”.

Een kofschip
Een kofschip (gravure)

In deze familie zijn vanaf het midden van de 19e eeuw drie hoofdtakken te onderscheiden, allen beginnend te Makkum, later uitwaaierend in Friesland en ver daarbuiten: de Sneker tak met o.a. panfabrikanten, later apothekers artsen en notarissen; de Lemerveldse tak, vanaf 1907 ook snel groeiend in Brazilië: aanvankelijk uitsluitend zuivelfabrikanten; de bankierstak uit Makkum en Bolsward met vooral olieslagers, kassiers en bankiers, de laatste tot begin jaren ’80, wanneer Kingma’s Bank opgaat in wat nu ABN AMRO is.

Maar hoe kwamen deze Kingma’s nu aan hun (mooie) naam? Wat kan nu iemand in de 18e eeuw er toe hebben bewogen een familienaam te gaan voeren? In een artikel in de Vrije Fries zegt Pieter Nieuwland hierover dat uit het weinige wat hierover bekend is men kan concluderen dat het veel met status of maatschappelijke positie te maken had.

Zo ook bij Hylke Jans. Hij en twee van zijn drie broers namen in 1771 de naam Kingma aan, omdat het vanwege Hylke Jans’ benoeming tot bijzitter aanbeveling verdiende een achternaam te dragen. De grietman adviseerde hem de naam van zijn grootmoeder van moederszijde, Trijntje (van) Kingma aan te nemen. In die tijd had de naam Kingma een voorname klank, dus geschikt voor een bijzitter.

Hij was echter nog niet enthousiast. Immers hij stond onder zijn zakelijke relaties bekend onder de naam Hylke Jans en was bang dat zijn firma schade zou lijden door een naamswijziging. In zijn zakelijke correspondentie merkt hij op: “onze Secretaris voegt agter mijn naam dat van Kingma, dat ik anders in mijn gebruik nooit gedaan heb, maar bij deezen ook gedaan heb omdat in de Acte staat”. Hij bedoelt daarmee de akten van volmacht die door de secretaris van de grietenij Wonseradeel werden opgemaakt. Elders schrijft hij dat dit gebruik dateert van de aanvang van zijn bijzittersambt, dat hem ook al is opgedrongen.

Maar als hij eenmaal de naam Kingma heeft geaccepteerd, begint Hylke Jans er schik in te krijgen. Hij reist af naar Zweins waar bekende Kingma’s bijgezet zijn in het familiegraf en tekent het familiewapen van het wapenbord na. Na verloop van tijd was Hylke Jans zo enthousiast dat hij zelfs trachtte Kingma State in handen te krijgen. Hij startte een rechtszaak tegen de Beijma thoe Kingma’s, omdat hij meende aanspraak op de state te kunnen maken als oudste mannelijke erfgenaam. Een zaak waarbij hij door de rechter niet in het gelijk werd gesteld. 

Een grote staat hebben de Makkumers nooit gevoerd. Hylke Jans als wellicht meest succesvolle en meest vermogende wilde zich niet te veel van de andere kooplieden onderscheiden, wel een nieuwe gevel, maar een die niet mocht uitsteken boven die van anderen. Drie generaties later, bij de bloei van de familiebank, verzuchtte de toenmalige chef de famille Tjeerd Herre Kingma (1838-1931): “als we nu maar niet weelderig worden!”. Die stijl van soberheid is door de eeuwen heen gebleven en kenmerkt ook vandaag de dag de familiecultuur, die wordt bewaard in de Kingma Stichting en de Vereniging Familie Kingma.

Tijmen Brommet
Joost Kingma

Noot:

Veel van de familiegeschiedenis van de Makkumer Kingma’s is inmiddels in boekvorm verschenen, o.a.:

  1. De Kingma-Kroniek, of Hoe een familiegeheugen meer dan honderdvijftig jaar intact bleef. Henk Nicolai; Thesis, RUG 1997. Uitgegeven door Egbert Forsten, Groningen.

  2. Het leven van Tjeerd Herre Kingma, olieslager, kassier en bankier (1838-1930):”als we nu maar niet weelderig worden”; Henk Nicolai. Kingma Stichting.

  3. Genealogie Familie Kingma, nazaten van Hylke Jans Kingma; T.H. Kingma, Hollandia Baarn, 1883.

Recent verscheen: ‘Dekzand, een familiegeschiedenis’ van de hand van (wederom) Henk Nicolai, ditmaal over de Lemelerveldse tak.

Kingma Kronkels: Namaak

Kingma Kronkels

Joost Kingma

Namaak is geen prettig woord. Iemand maakt wat en iemand anders maakt dat na. Nep, niet authentiek, fake.

Bij gebouwen is het arsenaal woorden waaruit gekozen kan worden in geval van namaak vol met betuttelende termen: neo, nostalgisch, retro, replica, folly, fake, historiserend, hybride, remake, re-creatie of gewoon kitsch!

Het valt dan ook niet mee om in dit kritische krachtenveld iets te scheppen dat alom waardering krijgt.

In Mantgum doen ze hun best. Daar moet binnen afzienbare tijd de State Hoxwier opnieuw het levenslicht aanschouwen. Op een druk bezochte bijeenkomst van de Stichting tot Behoud van Staten en Saten legde architect Syb Eldering onlangs uit hoe dat in zijn werk gaat. En wij luisterden natuurlijk met gespitste oortjes: financiering, archeologisch onderzoek, bouwkundig ontwerp, vergunningaanvraag, enz., het klinkt ons allemaal bekend in de oren.

Maar de initiatiefnemers zijn optimistisch en dat is een understatement voor de geestestoestand die je moet hebben om door de trage brei van criticasters en bureaucraten heen te worstelen.

De nogal vernietigende toon die Peter Karstkarel in zijn in 2003 verschenen artikel in Noorderbreedte over nieuwe stinsen en staten in Fryslân meende aan te kunnen slaan wordt gelukkig niet overal gedeeld. Niet in Mantgum natuurlijk. Maar ook niet in een artikel van de hand van Aart de Vries (Bulletin KNOB 2002-5) waarin hij aanzienlijk genuanceerder het ‘nep of neo’ dilemma voor een aantal historische (re)constructies bespreekt. Gerealiseerde en voorgenomen projecten. Fake en fraai. Waaronder de herrijzenis van Kingma State.

Een lang geleden verdwenen gebouw dat, zoals De Vries het noemt, ‘als een sluimerende tijdbom ligt te wachten op het meest gunstige moment van ontsteking.’ Die in ons geval moet leiden tot herstel, geen namaak.